zaterdag 19 juni 2021

De outsider die er geen is

 


Als je nu een voorbeschouwing schrijft bij een wielerwedstrijd, laat ons zeggen de Tour de France, en je hebt het over de outsiders: zijn dat dan ernstige kandidaten op de overwinning, renners die toch ook wel een (kleine) kans maken, of renners die eigenlijk geen kans maken op de eindzege?

Laatst had ik een kleine discussie met de auteur van een tekst die ik moest vertalen, precies over het gebruik van het woord ‘outsider’. Vooral in de sportverslaggeving gebruiken ze dit woord van langsom vaker in de betekenis van ‘een ernstige kandidaat op de overwinning’. In zoverre dat je nu voor zo’n wedstrijd vaak één favoriet hebt, dan een stel ‘outsiders’, en voor de rest sporters die totaal geen kans maken op de overwinning. En dat is volgens mij gewoon fout. Volg even met me mee…

Eerst even een open deur intrappen: het is natuurlijk afkomstig uit het Engels, waar het woord twee mogelijk betekenissen heeft. Zowel ‘Cambridge Dictionary’, ‘Oxford Dictionary’ als ‘Longman’s’ geven een variatie van onderstaande verklaring:

1.       A person who is not involved with a particular group of people, organization or society and who feels different from those people who are accepted as members

2.       A person or animal with only a slight chance of winning

Van Dale kent drie betekenissen toe aan ‘outsider’:

1.       Mededinger in een wedstrijd, die je weinig kans geeft op de overwinning

een gevaarlijke outsider

a sport; bij wedrennen – paard dat, renner die (volgens de publieke opinie) weinig kans heeft om te winnen, maar met wie de favorieten wel rekening houden dark horse

2.       Iem. die buiten de kring van ingewijden of belanghebbenden staat

3.       Beursterm – speculant die buiten de beurskringen staat

Dat lijkt zo’n beetje gelijklopend met het Engels, zou je denken, behalve dan waar Van Dale aanvult met  het voorbeeld van ‘een gevaarlijke outsider’.

Het wordt helemaal interessant, als ik naar het Franse woordenboek grijp. In de ‘Petit Robert’ vind ik het volgende:

1.       TURF Cheval de course qui ne figure pas parmi les favoris mais qui a des chances de gagner. Le favori et l’outsider. PAR EXT. Concurrent(e) dont la victoire ou la performance est inattendue (dans un sport quelconque).

2.       FIG. Pour ce fauteuil à l’Académie, dans cette élection, X fait figure d’outsider. La candidature d’une outsider.

In het Frans wordt het verhaal van het paard dat bij de wedrennen niet meteen favoriet is, maar toch wel een ernstige kanshebber, dus zelfs de eerste betekenis voor dit woord, en zonder het adjectief ‘gevaarlijk’ ervoor. En dat vind ik toch wel verbazingwekkend.

Nu blijft de vraag: is een outsider iemand waar de concurrentie nu wel of niet ernstig rekening mee moet te houden? Als je in Frankrijk naar de paardenwedrennen gaat, blijkbaar wel. Maar bij andere sporten zou dat alweer minder het geval zijn, aangezien de Robert voor ‘un sport quelconque’ aangeeft dat de overwinning niet verwacht is.

In Van Dale lijkt het er toch meer op dat je met een outsider pas rekening moet houden, als ze er het adjectief ‘gevaarlijk’ voor gezet hebben. Maar in de sportverslaggeving zie ik het woord steevast gebruiken in de betekenis van ‘een kandidaat waar terdege mee moet rekening gehouden worden’.

Nu kun je natuurlijk wel beweren dat het nooit verstandig is om de tegenstand te onderschatten. Je wilt de sporters niet onderhouden die zich een titel door de neus geboord zagen door iemand die ze vooraf helemaal geen kans hadden toegedicht.

In 1956 hadden de favorieten het in de Tour de France aan hun zeemvelletje met ene Roger Walkowiak. Als je geen superfervente koersliefhebber bent, dan heb je waarschijnlijk nog nooit van de man gehoord, maar hij won dat jaar wel degelijk de Tour. Vooraf had niemand de man ook maar enige kans op de eindzege toegedicht, maar aan het eind van die Tour was hij het wel die de gele trui naar huis mocht meenemen. Nadien verdween de man zo’n beetje in de vergetelheid. Naast die Tour, waarin hij overigens niet één etappe won, behaalde hij in zijn hele carrière als prof nog twee overwinningen, namelijk twee etappes in de Ronde van Spanje, en dat was het dan. In de Tour zelf werd hij tussen 1951 en 1958 verder nog 57ste, 47ste, en 75ste, en hij gaf ook nog twee keer op. Kijk: zo ziet een outsider eruit.

Het blijft een contradictie als je in je beschouwing voor de wedstrijd iemand bestempelt als ‘outsider’ en vervolgens gaat stellen dat de favorieten maar beter heel goed op die outsider gaan letten. Zowel in de oorspronkelijke, Engelstalige betekenis, als in het Nederlands of het Frans: als je iemand vooraf als outsider bestempelt, dan dicht je die nauwelijks kansen op de overwinning toe. Wie je vooraf als gevaarlijke kanshebber aanduidt, dat is een favoriet, medefavoriet of schaduwfavoriet, maar geen outsider. De outsider, die zit buiten dat kransje aan favorieten. En je houdt er pas rekening mee, als hij tijdens de wedstrijd blijk geeft van een goede vorm. Je gaat hem niet vooraf al aanduiden als iemand waar je heel goed voor moet oppassen. Als je zo begint, dan moet je meteen het halve peloton aankruisen op je deelnemerslijst, en dan moet je als ploeg gaan reageren op iedere poging tot ontsnapping. Niet erg efficiënt…

 


maandag 26 april 2021

Groter als

 


Als u zich in het verkeer begeeft, valt het u dan ook wel eens op hoeveel chauffeurs er zijn die hun richtingsaanwijzers niet gebruiken? Hoe vaak bent u er getuige van dat een weggebruiker de voorrang van rechts negeert,  door het rood rijdt, (veel) te snel rijdt? Als er toch zoveel mensen zijn die die regels negeren, waarom schaffen we ze niet gewoon af?

De analogie loopt misschien enigszins mank, maar ik moest er toch aan denken, toen de afgelopen week de hetze losbarstte rond onze spellings- en spraakkunstregels – ik was overigens niet de enige die die analogie maakte. Maar, los van het feit dat de berichtgeving in de kranten niet klopte, waren er toch heel wat mensen die meenden te moeten reageren ten faveure van de zogenaamde versoepeling.

Kromme redenering

Wat voor een kromme redenering is me dat toch: omdat heel wat mensen in hun dagelijkse taalgebruik ‘groter als’ zeggen, laat ons dan de regel maar afschaffen die stelt dat het ‘groter dan’ moet zijn. Ik herhaal: ik begrijp dat de berichtgeving over de ANS niet helemaal correct was, maar er waren toch heel wat mensen die bereid waren om op de kar van de versoepeling te springen. Of neem nu Kristien Hemmerechts die vond dat de dt-regel op de schop moet, omdat er zoveel tegen gezondigd wordt, of omdat hij toch te moeilijk is om aan te leren. Of, godbetert, omdat te veel regels het creatief schrijven hinderen.

What’s next? Laat ons met ons allen maar alle regeltjes die onze maatschappij samenhouden, overboord gooien, zodat we wat creatiever kunnen gaan leven, ons wat creatiever in het verkeer begeven? Creatief naar de bank gaan (met een pistool om onder de loketbediende zijn of haar neus te duwen)?

We gaan de karikaturale toer op, ik weet het. Maar is het met taal niet net als met alles in de maatschappij? Er zijn een aantal regels, en wie zich niet aan de regels houdt, die zet zich eigenlijk buiten die maatschappij, een beetje voor de kleine regeltjes (schrijf ik ‘groter dan’ of ‘groter als’), een beetje heel erg veel voor die regels die van belang zijn voor de goede orde en het welzijn van de medemens (geef ik braafjes voorrang aan rechts, of rijd ik gewoon door, erop rekenend dat de chauffeur die van rechts komt wel eventjes op de rem zal gaan staan).

Eind verleden jaar had ik het in de blog al over de alomtegenwoordigheid van tussentaal in Vlaanderen, en hoezeer die tussentaal afweek van het AN. De reacties hierop waren over het algemeen negatief, de algemene teneur was dat tussentaal moest mogelijk zijn, misschien zelfs ook aandacht moest krijgen in het onderwijs. Ook in deze discussie zijn veel mensen blijkbaar van mening dat regels alleen maar de creativiteit in de weg staan en tussentaal vooral moet kunnen, omdat ze zo algemeen verspreid is, omdat ze veel natuurlijker overkomt dan het AN.

Mijn vriend Benjamin

Wat wel klopt: voor een aangenaam gesprek is het helemaal niet productief is als je om de haverklap de andere partij wijst op een taalfout. Wat ik niet volg, is de stelling dat de regeltjes de creativiteit in de weg zouden staan. Een van de items die op Facebook passeerden ging over het liedje ‘Benjamin’ van Louis Neefs, met als refrein “Nooit had ik een beter vriend als Benjamin”. Ook hier weer: Radio 1 ging er foutief van uit dat volgens de ANS dit voortaan correct Nederlands is, maar in de Facebook-discussie die hierop volgde, ingeleid en geleid door Helmut Lotti zag je ook weer van alles passeren.

Een paar mensen leek tot de school van Kristien Hemmerechts te horen, en schermden met het begrip ‘dichterlijke vrijheid’. Laat ons duidelijk wezen: dichterlijke vrijheid moet absoluut kunnen. Daarom dat ik Helmut Lotti’s opmerking over het gebruik van “een beter vriend” in plaats van “een betere vriend” niet helemaal volg. Met het grammaticaal juiste “een betere vriend” voeg je immers een lettergreep toe aan het vers, waarvan Louis Neefs ongetwijfeld zal gevonden hebben dat het problemen gaf voor het metrum van zijn onvolprezen song.

Maar de “als” in ‘Benjamin’ valt helemaal niet onder dichterlijke vrijheid. Of je nu “als” zingt of “dan”: het maakt niets uit voor het ritme of de klank van het lied. Het is en blijft gewoon een fout van de songschrijver. Het feit dat de song intussen een kleinkunstklassieker is, verandert hier niets aan. Dichterlijke vrijheid is een mooi principe, maar een mens moet oppassen dat hij het niet gaat gebruiken als schaamlap voor zijn gebrekkige kennis van de moedertaal.

Vrijheid-blijheid?

Ik weet wel: in onze westerse maatschappij is ‘vrijheid-blijheid’ voor veel mensen een mantra geworden, waar geen zinnig woord tegen opgewassen is. Vaak gooien ze hierbij echter het kind weg met het badwater (en in dezelfde handomdraai ook de badkuip zelf). Van mijn kant heb ik geen problemen met een regeltje hier en daar… Het zorgt voor duidelijkheid en vaak helpt het een mens om te beslissen hoe hij iets nu best aanpakt, of het nu gaat om het schrijven van een correcte zin, of het vinden van je weg in het verkeer.

Overigens, wat is er mooier dan een tekstregel die iets treffend verwoordt en tegelijk grammaticaal en taalkundig ook nog klopt? Is dat niet net het summum van creativiteit?

 

zondag 21 maart 2021

Ja, neen, toch wel, maar dan in het West-Vlaams


 


Enkele jaren geleden was mijn vrouw een van de kandidaten bij Ben Crabbé voor een spelletje ‘Blokken’. Ze deed het helemaal niet onaardig, maar daar wil ik het niet over hebben. Tijdens de kennismakingsronde had Ben Crabbé het met mijn vrouw, die uit het Poperingse afkomstig is, over de eigenaardige gewoonte van West-Vlamingen om hun ja’s en neens te ‘vervoegen’. Lachen!

Het klopt natuurlijk wel dat wij West-Vlamingen iets op verschillende manieren kunnen bevestigen of ontkennen. Als je er even bij stilstaat, is het voor een buitenstaander allicht niet altijd duidelijk of we nu ja dan wel nee bedoelen. Volg even met me mee.

Je hebt het gewone ja en nee, zonder meer, dat een West-Vlaming haast nooit gebruikt. Wat we wel meest gebruiken, is die zogenaamde vervoegde vorm, bijvoorbeeld als antwoord op de vraag “Heb je (heeft hij, zij, enz.) al zout in de patatten gedaan?” Met als mogelijke antwoorden:

Ik => Jaôk; jij => Joâg; hij => Joâj; zij => Joâs; het => Joât; wij => Joâm/Joâw; jullie => Joâg ; ze => Joâs.

Ik probeer zo goed mogelijk de uitspraak te benaderen. Om helemaal correct te zijn, zou ik eigenlijk fonetisch schrift moeten gebruiken, maar ook dat is redelijk hopeloos, aangezien de uitspraak van regio tot regio nogal durft verschillen.

In ieder geval lijkt dit nog vrij eenvoudig, niet? De vormen kunnen wel verschillen naargelang de streek in West-Vlaanderen. In de Westhoek zeggen ze bijvoorbeeld voor de 2de persoon enkelvoud ‘joâj(e)’, en voor de 3de persoon mannelijk ‘joân’. Je kunt je dus met ‘joâj’ al vergissen, als je niet oplet waar precies in West-Vlaanderen je zit.

Voor de ontkenning gelden zowat dezelfde ‘vervoegingen’: Neink, Nieg, Neij, Neins, Neint, Niem, Nieg, Neins. De tweede n in ‘neins’ wordt meestal nauwelijks uitgesproken.

Nu denk je allicht – als het je al iets kan schelen: “Fijn, met die twee lijstjes weet ik alles wat er te weten valt over ja en neen in West-Vlaanderen”. Wel: nieg, er is wel nog wat meer. In West-Vlaanderen hebben we ook zoiets als trappen van vergelijking in het bevestigen of ontkennen. In bepaalde situaties wil een mens namelijk zijn bevestiging of ontkenning versterken. Wanneer iemand tegen jou zegt: “Je hebt zeker nog geen zout in de patatten gedaan?”, dan antwoord je in het AN met “Toch wel!”

In West-Vlaanderen houden we niet van zo’n eenvoudig antwoord, al hebben we er wel een: in plaats van “Toch wel!” zeggen we dan “Toet!”(of zelfs “Tetoet!”). Maar we kunnen (veel) verder gaan, in een reeks van gradaties waar een buitenstaander allicht duizelig van wordt.

In de 1ste persoon enkelvoud kun je ook een positief antwoord geven met “Toek”, “Kedoek” of “Jakedoek”. De volgorde waarin ik ze plaats is bewust: van links naar rechts, is ieder antwoord weer een ietsje sterker als bevestiging, waarbij “Jakedoek” zo’n beetje de bijbetekenis krijgt van “hoe durf je aan mij te twijfelen?”. Ook voor deze vormen geldt weer dat je ze moet vervoegen, dus:

Ik               toek                                         kedoek                                   jakedoek

Jij               toeg                                         gedoeg                                   jagedoeg

Hij              toej                                          jedoej                                     jajedoej

Zij               toes                                         zedoes                                    jazedoes

Het              toet                                          tetoet                                      jatetoet

Wij              toew                                        wedoew                                 jawedoew

Jullie            toeg                                         gedoeg                                   jagedoeg

Zij                toes                                         zedoes                                    jazedoes

Hierop zijn haast ontelbare varianten, naargelang de regio. Ze allemaal opsommen zou ons te ver leiden, en ik verontschuldig me bij de West-Vlamingen die bv. gewoon zijn om ‘gedoet’ te zeggen in de plaats van ‘gedoeg’. De ene vorm heeft voor mij niet meer waarde dan de andere; ik gebruik ze trouwens zelf door elkaar.

Voor de ontkenning hebben we natuurlijk een vergelijkbare serie ‘vervoegingen’, al hebben we geen equivalent voor de eerste trap (toek). Misschien omdat we van nature al meteen wat sneller op ons paard zitten als we iets willen ontkennen – ik zeg maar wat. Verwarrend hier is dat de term maar een letter verschilt van de bevestiging: ‘toch wel’ is ‘kedoek’, terwijl de ontkenning ‘kendoek’ wordt, met een vaak nauwelijks hoorbare n. Niet evident voor wie ons taaltje probeert aan te leren.

Maar wacht, het wordt nog beter: in de overtreffende trap beginnen we ook met een ‘ja’ en plakken er dan de negatieve vorm aan. ‘Jakedoek’ wordt in de ontkennende vorm dus ‘Jakendoek’. Gelijkwaardig aan die ‘Jakendoek’, is de vorm ‘Doekendoek’. Het tabelletje met ontkenningen ziet er dus als volgt uit:

Ik               kendoek                                jakendoek                             doekendoek

Jij              gendoeg                                jagendoeg                             doegendoeg

Hij             jendoej                                  jajendoej                               doetendoej

Zij             zendoes                                 jazendoes                              doezendoes

Het            (te)ndoet                              jatendoet                              doetendoet

Wij            wendoew                              jawendoew                           doemendoen

Jullie         gendoeg                                jagendoeg                             doegendoeg

Zij             zendoes                                 jazendoes                              doezendoes

‘Jakendoek’ en ‘doekendoek’ betekenen dus precies hetzelfde; de tweede vorm heeft het voordeel dat hij wat duidelijker te onderscheiden is van de bevestigende term, maar voor zover ik weet, gebruiken we de twee vormen gewoon dooreen. Lekker verwarrend!

Ik weet niet genoeg af van de andere dialecten in ons taalgebied om het met zekerheid te kunnen stellen, maar ik geloof dat het West-Vlaams hierin toch vrij apart is. Wie mij hierin wijzer kan maken, is altijd welkom.

Om af te sluiten geef ik ter illustratie nog graag een voorbeeld van een welles-nietesconversatie zoals je ze in West-Vlaanderen te horen kunt krijgen. Voor de duidelijkheid (en mijn schrijfcomfort) heb ik enkel de bevestigingen en ontkenningen in het West-Vlaams gezet.

“Jos, heb jij die kras in de auto gereden?”

Neink.”

“Maar, toet, jij hebt m’ het laatst gebruikt!”

Kendoek, jij bent er daarna nog mee naar de kapper gereden.”

Tetoet, de kras zat er al in toen ik naar de kapper vertrok.”

Jatendoet, dat zou ik wel gezien hebben. Misschien heb jij wel een hapering gehad toen je naar de kapper reed.”

Jakendoek!

Jagedoeg!

Enz…

 

zondag 10 januari 2021

Une belle histoire? Echt?

 


Une belle histoire? Echt?

 

Ik heb het al eerder gehad over mijn liefde voor het Franse chanson, en voor de Nederlandstalige kleinkunst. Een kenmerk van een goed chanson is uiteraard een goede tekst, al heb ik soms wel mijn bedenkingen bij die tekst.

Neem nu ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain. Het begint best onschuldig:

‘C’est un beau roman, c’est une belle histoire

C’est une romance d’aujourd’hui’

Dan denk je meteen: “Mooi we krijgen een verhaal van passie en liefde”. Maar als je verder luistert, valt dat eigenlijk dik tegen. Een jongen en een meisje ontmoeten elkaar, ergens op een departementale weg in Frankrijk. Hij is onderweg terug naar huis, naar ‘het mistige noorden’. Zij begint net aan haar vakantie en is op weg naar het zuiden van Frankrijk.

Meneer Fugain vindt dat het ‘sans doute un jour de chance’ is en dat ze de hemel binnen handbereik hebben, een geschenk van de voorzienigheid, quoi.

Onze fortuinlijke jongelui verstoppen zich vervolgens in het korenveld, ‘meedrijvend op de stroom van de gebeurtenissen’ (‘se laissant porter par les courants’), vertellen elkaar hun leven. Mooi vind ik dat Michel Fugain daaraan toevoegt ‘qui commençaient’. Je leest tussen de regels zo’n beetje dat hij eigenlijk ook vindt dat het nog maar snotneuzen zijn – wat weten zij nu eigenlijk van het leven?

Meteen daarna zegt hij het trouwens ook woordelijk : ‘ils n’étaient encore que des enfants, des enfants’.

Maar goed, op dit punt aangekomen, kan er nog altijd iets moois bloeien. En vervolgens gaat meneer Fugain duidelijk insinueren dat er daar in dat veld ook nog wel wat meer gebeurt dan twee mensen die elkaar hun leven vertellen.

In zijn ogen blijft het een geluksdag, terwijl ze

Qui cueillirent le ciel au creux de leurs mains

Comme on cueille la providence

Refusant de penser au lendemain

Oké, het is allemaal nogal wazig, maar je zult het met mij eens zijn, dat hij het hier heeft over wat men wel eens een stormachtige liefdesnacht pleegt te noemen. Op dit punt aangekomen denkt wie dit voor het eerst hoort allicht dat nu een vervolg komt van twee mensen die elkaar eeuwig trouw zweren en een lang leven aan elkaars zijde met vijf kinderen en een hond - de meesten gokken hier op een golden retriever - tegemoet gaan.

Niets is minder waar:

‘Ils se sont quittés au bord du matin

Sur l’autoroute des vacances

C’était fini le jour de chance

Wat? Is dat die grote romance? Een nachtje samen in het korenveld, en dan, hup, elk zijn eigen weg? Geen uitwisseling van telefoonnummers of adressen, geen beloften om contact te onderhouden? Nee:

Ils reprirent alors chacun leur chemin

Saluèrent la providence en se faisant un signe de la main’

Het enige wat er nog vanaf kan is een vaag gebaar met de hand naar elkaar, en een bedankingetje aan de voorzienigheid, en daarna zet hij zijn weg voort naar het mistige noorden, en trekt zij verder naar het zuiden, allicht op zoek naar nog meer van dergelijke ‘romances’. De voorzienigheid krabt zich allicht even in het haar, want dit was toch niet wat ze voor ogen had…

Ik weet wel, het nummer dateert van het jaar 1972, dat is midden in de periode van de flowerpower, en de vrije liefde was voor jongelui in die tijd zowat een geloofskwestie – ik heb het maar van horen zeggen, want ik was zelf nog een ietsje te jong. En, begrijp me vooral niet verkeerd, ik heb altijd van het nummer gehouden.

Maar in wezen krijgen we hier het verhaal van wat men heden ten dage een ‘tentsletje’ zou noemen en een jongen die daar maar al te graag van profiteert. Na afloop gaat elk zijn eigen weg, twee levens die elkaar heel even geraakt hebben, en dat is het dan.

Une belle histoire? Zo je wilt, zover wil ik nog wel gaan - misschien, hopelijk voor beiden, was de seks goed. Een romance? Kom nou, een beetje romanticus zal het met me eens zijn dat daar hier geen sprake van is.

Maar voor de rest: nog altijd een van mijn favoriete nummers in het Franstalige repertoire.

 

De volledige tekst:

C'est un beau roman, c'est une belle histoire
C'est une romance d'aujourd'hui
Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard
Elle descendait dans le Midi, le Midi
Ils se sont trouvés au bord du chemin
Sur l'autoroute des vacances
C'était sans doute un jour de chance
Ils avaient le ciel à portée de main
Un cadeau de la providence
Alors pourquoi penser au lendemain

Ils se sont cachés dans un grand champ de blé
Se laissant porter par les courants
Se sont racontés leurs vies qui commençaient
Ils n'étaient encore que des enfants, des enfants
Qui s'étaient trouvés au bord du chemin
Sur l'autoroute des vacances
C'était sans doute un jour de chance
Qui cueillirent le ciel au creux de leurs mains
Comme on cueille la providence
Refusant de penser au lendemain

C'est un beau roman, c'est une belle histoire
C'est une romance d'aujourd'hui
Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard
Elle descendait dans le midi, le midi
Ils se sont quittés au bord du matin
Sur l'autoroute des vacances
C'était fini le jour de chance
Ils reprirent alors chacun leur chemin
Saluèrent la providence en se faisant un signe de la main

Il rentra chez lui, là-haut vers le brouillard
Elle est descendue là-bas dans le Midi
C'est un beau roman, c'est une belle histoire
C'est une romance d'aujourd'hui



Tekst en muziek : Michel Fugain, Pierre Delanoe, Big Bazar

dinsdag 8 december 2020

Wilt ge misschien toch eens overwegen...

 


... om wat minder tussentaal te praten?


Waw! Dit had ik misschien wel kunnen verwachten: blijkbaar heb ik met mijn stukje over het gebruik van ‘ge’ in het bijzonder en tussentaal in het algemeen hier en daar wel op een zere teen getrapt. Er waren in ieder geval heel wat reacties, waarvan sommige heel goed onderbouwd. Sommige mensen voelden zich blijkbaar heel erg aangesproken en, zoals ook te verwachten viel, zaten er een paar ronduit vijandige tussen, maar dat zul je altijd hebben…

Op de Facebookgroep ‘GentVertaalt’ waren de reacties het interessantst, en ik denk dan vooral aan de commentaar van Miet Ooms, die ik verder niet persoonlijk ken, maar die wel mijn respect kan wegdragen. Ik meen ook dat ze grotendeels gelijk heeft, wanneer ze stelt dat iedere taal beschikt over een of andere vorm van tussenregister voor de minder formele situatie. Ik kan op dat vlak enkel meepraten over het Engels en het Frans, en ik kan alleen maar beamen dat tussentaal in die taalgemeenschappen bestaat.

Ik ontken ook niet dat tussentaal bestaansrecht heeft, maar ik blijf erbij dat je met de Vlaamse tussentaal wel heel ver afwijkt van de standaardtaal. De argumenten over tussentaal bij andere talen zijn geldig… en ook weer niet. Alweer: ik kan enkel op een zinvolle manier meepraten over Frans en Engels. Ik heb die talen geleerd op school, op bachelorniveau, heb daarna in mijn werk altijd heel intensief gewerkt met Franstalige klanten en Franstalige collega’s, werkte zelfs een tijdlang in Noord-Frankrijk. Ik woon en werk ook al meer dan dertig jaar in het West-Vlaamse Menen dat tegen de Franse grens aanschurkt. Wij (mijn vrouw en ik) komen dagelijks in contact met Noord-Fransen. Op geen enkel moment ben ik geconfronteerd geweest met een situatie waar mijn gesprekspartner vasthield aan een taalregister waar ik geen weg mee kon. Een anderstalige heeft in Vlaanderen jammer genoeg wel eens andere ervaringen.

Ook bij onze vele reizen in Engeland, Wales en Ierland konden wij dezelfde vaststelling maken, al moet je hier wel toegeven dat in een dergelijke context alle situaties formeel zijn. Het is dus wel normaal dat de mensen die je als toerist ontmoet, moeite doen om standaard Engels met je te praten. Laat ik dus niet te veel conclusies vasthangen aan mijn ervaringen met het Engels.

Ik keer dus graag terug naar het Frans, waar ik wel veel contacten had en heb in minder formele situaties, vaak dus ook situaties waarin niet zo erg gelet wordt op verzorgd taalgebruik. Het verdient een wetenschappelijke studie, maar het is mijn stellige indruk dat de Vlaamse tussentaal veel verder van het Standaardnederlands afligt dan de Franse tussentaal van het standaard Frans. Iemand die het schoolse Frans goed beheerst kan volgens mij in gans Frankrijk een begrijpbare conversatie voeren, zolang de tegenpartij niet overstapt op plat dialect.

Maar laat het ons nog eens hebben over het Nederlands en onze Vlaamse tussentaal. Zoals gezegd, ik heb een paar heel geldige argumenten gekregen in de reacties, tot op het punt waar ik me afvroeg: misschien heeft (alweer) Miet Ooms wel gelijk? Tussen haakjes: ik moet toch haar boek eens gaan lezen. Misschien moeten we in de lessen Nederlands voor anderstaligen wat meer aandacht gaan besteden aan de tussentaal. Misschien is het een ietsje te schoolmeesterachtig om vast te houden aan dat AN, en dat te willen ‘opdringen’ aan eenieder.

En toen ging Martine Tanghe met pensioen…

Voor wie zich mocht afvragen wat het pensioen van Martine Tanghe hier in godsnaam mee te maken heeft: wel, misschien herinner je je wel dat ik het in mijn vorige stukje ook had over het verzorgde taalgebruik van Martine Tanghe, en hoe dat taalgebruik het argument ontkracht dat AN gekunsteld zou overkomen. Bij haar afscheid werd ze van verschillende kanten nog eens geroemd, precies omwille van dat taalgebruik, en dat sterkte mij toch weer een beetje in mijn standpunt.

Dus overdacht ik nog even de argumenten die jullie aanbrachten ten faveure van tussentaal… En ze snijden geen hout. Het voorstel om wat meer aandacht te besteden aan tussentaal in de lessen Nederlands voor anderstaligen, wil ik toch wel eens uitgewerkt zien. Welke tussentaal wil je dan gaan gebruiken? Ik herinner nog even aan de definitie voor tussentaal zoals ze in Van Dale staat : 
“de informele spreektaal in Nederlandstalige België met grammaticale kenmerken van het dialect en fonologische kenmerken van de standaardtaal“. 

Kijk, daar zit je al met een flink probleem. Aangezien er in die tussentaal kenmerken van het dialect doorsijpelen, heb je alweer verschillen naargelang de streek. De tussentaal van een West-Vlaming is niet dezelfde als die van een Antwerpenaar. Tussentaal aanleren wordt dus een heikele kwestie, want om een taal aan te leren moet je toch ook wel rekening houden met een aantal regels. Wiens regels volg je dan voor de tussentaal? Als je een taal aanleert, moet je dat doen volgens een bepaalde standaard, maar het basiskenmerk van tussentaal is precies dat er geen standaard is. Hoe kun je die taal dan op een zinvolle manier aanleren? 

En verder: hoeveel dialect mag er in je tussentaal zitten vooraleer je weer spreekt van dialect? Ook dat zal verschillen van streek tot streek. De (flauwe) grap dat iedere Antwerpenaar van zichzelf denkt dat hij AN praat is ook weer niet zo vergezocht: ik ben er zeker van dat menig Antwerpenaar de tussentaal van de doorsnee West-Vlaming nog zal zien als dialect, terwijl hij zijn eigen Antwerpse tussentaal toch beschouwt als bijna gelijk aan AN. Het punt is: als je naar tussentaal gaat, dan gooi je iedere norm overboord, en iedereen doet maar wat. 

Is dat dan zo erg, vraag je me? Vrijheid, blijheid, ja toch?

Dat was inderdaad de teneur van heel wat commentaren. De vele aanhangers van het gebruik van tussentaal schijnen te vinden dat AN een kneuterige beperking inhoudt van hun taalgebruik. Je moet je aan een bepaalde norm houden, en dan kun je niet op een natuurlijke manier converseren. Mijn punt is precies dat je wel op een natuurlijke manier kunt converseren in standaard-AN, als je dit maar voldoende inoefent. Als je jezelf die norm maar voldoende oplegt. En dat is iets wat in Vlaanderen al enige decennia niet meer algemeen gebeurt.

Nu begrijp ik het ook wel… Het was om te beginnen fout om te spreken van Algemeen Beschaafd Nederlands, want daarmee gaf je al wie dat ABN niet voldoende beheerste het stigma van lomperik. Daar zijn ze gelukkig van afgestapt. Het was ook soms een beetje jammerlijk hoe Van Dale heel wat in Vlaanderen gangbare uitdrukkingen en woorden hardnekkig bleef bestempelen als “Zuid-Nederlands”, en hoe dit voor taalpuristen dan voldoende reden was om de betreffende term of uitdrukking in de ban te slaan. Alsof nieuwe termen en uitdrukkingen enkel vanuit het noorden konden ingevoerd worden in het AN.

Op die manier hebben we in Vlaanderen misschien wel een soort weerstand aangekweekt tegen die standaardtaal, een afkeer ervan zelfs, want AN, dat is de taal van de puristen, van de regelneven, de taal van het noorden ook. En vooral die eerste twee moeten we in Vlaanderen niet zo erg. Dus gebruiken we veelvuldig tussentaal, en denken hierbij soms zelfs dat we AN aan het praten zijn. Ik blijf het dus jammer vinden dat het Algemeen Nederlands op die manier in de verdrukking komt, en daardoor ook door een groot deel van onze taalgemeenschap niet of onvoldoende beheerst wordt.

Voor sommigen maakt mij dat blijkbaar tot een soort taalnazi. Terwijl ik er enkel wil voor pleiten dat we het in Vlaanderen eindelijk een keer eens worden over het gebruik van een standaardtaal, waarin iedereen zich verstaanbaar kan uitdrukken. Een standaardtaal die we aan buitenlanders als vreemde taal kunnen aanleren met de zekerheid dat ze die ook kunnen gebruiken in het dagelijks leven, ja dus ook bij de bakker en de slager.

Is dat zoveel gevraagd?

zondag 22 november 2020

Wilt ge nu eindelijk eens ophouden met dat tussentaaltje?

 


 

Enige tijd geleden maakte ik kennis met de website vlaamswoordenboek.be. Niet oninteressant, want je vindt er heel wat informatie over ons typisch Vlaamse taalgebruik, ook al heb ik de indruk dat de site niet meer helemaal up-to-date is. Maar dat heeft ook weer zijn voordelen. Zo kun je hier zien dat in 2013 Van Dale de uitdrukking ‘niet veel potten breken’ nog het label ‘Belgisch-Nederlands’ meegaf. Tegenwoordig staat dat label niet meer bij die uitdrukking, wat zou betekenen dat sommige uitdrukkingen of woorden vanuit Vlaanderen de oversteek maken naar Nederland, en na enige tijd ook in het noorden algemeen ingeburgerd raken. Dat vindt deze Vlaming best een fijne vaststelling.

Waar ik me niet in kan vinden, is de voorkeur van vlaamswoordenboek.be voor ‘ge’ als persoonlijk voornaamwoord. Ik ben West-Vlaming, en in mijn plaatselijke dialect zijn ‘ge’ en ‘gie’ inderdaad de gangbare vorm in het dagelijks taalgebruik, en in de Vlaamse tv-series vliegen de ‘ge’s’ en ‘gij’s’ ook vrolijk in het rond. Je zou dus kunnen beweren dat de ge-vorm algemeen aanvaard is in de Vlaamse spreektaal. Maar als ik hem zo zie staan in een geschreven tekst, dan wringt dat voor mij toch een beetje… Nou, niet echt een beetje, maar behoorlijk veel.

Van Dale weet het volgende over ‘ge’ als persoonlijk voornaamwoord:

“in Noord-Nederland verouderd behalve sporadisch in vormelijke schrijftaal en in zeer vormelijke gesproken taal (t.w. bij het spreken tot publiek en tot God), in Zuid-Nederland en België nog in de omgangstaal (…) (in het enkelvoud vervangen door ‘jij’, en in het meervoud door ‘u’)”

Eigenaardig toch… In mijn herinnering gebruiken de Vlaamse series uit mijn jeugd heel consequent ‘je’, ‘jij’ en ‘u’, maar een ‘ge’ of ‘gij’ hoorde je er zelden of nooit. Ik deed even een snelle steekproef, vooral dan bij de jeugdseries uit die tijd. We spreken van eind jaren 60, begin jaren 70, met reeksen als ‘Axel Nort’(met een piepjonge, knappe Johny Voners!), ‘Kapitein Zeppos’, ‘Het zwaard van Ardoewaan’, ‘Fabian van Fallada’, ‘Johan en de Alverman’, enz. En het klopt, blijkbaar leefde bij de toenmalige BRT nog heel sterk de norm van het AN. Toen spraken ze zelfs nog van ABN – Algemeen Beschaafd Nederlands. Wie dialect sprak, die was dus niet beschaafd!

Wanneer zijn ze dan van die norm afgestapt, en voor Vlaamse tv-series overgeschakeld naar wat we inmiddels - ik denk niet dat de term in de jaren 60 al bestond -tussentaal zijn gaan noemen? In zijn podcast die hij samen met de Franstalige Belg Alain Gerlache verzorgt voor de site van de VRT (zie link hieronder) schrijft Ivan De Vadder het allemaal toe aan de opkomst van de commerciële televisie, maar ik denk dat hij zich vergist. Kijk nog maar eens naar de eerste afleveringen van de immens populaire serie ‘De Collega’s’: daarin spreken ze elkaar steevast aan met ‘ge’ en ‘gij’, en is de overgang naar tussentaal al duidelijk ingezet. De eerste jaargang van ‘De Collega’s’ dateert van 1978, dat is zo’n negen jaar voor VTM zijn eerste uitzending de ether instuurde.

In ‘De Collega’s’ gingen ze zelfs zo ver dat de enige die Algemeen (Beschaafd) Nederlands sprak, het bekakte personage van Bonaventure Verastenhoven was. De implicatie was duidelijk: wie zich op de werkvloer aan het AN hield, die was meteen gedoemd om het buitenbeentje van de groep te worden. Dat het de commerciële zenders zijn die de tussentaal lanceerden, klopt dus helemaal niet. Het lijkt er eerder op dat het de BRT/VRT zelf is die de overgang heeft ingezet naar tussentaal in onze tv-series.

Wat is daar nou op tegen, hoor ik u al vragen. Een beetje tussentaal kan toch geen kwaad, en het maakt zo’n serie zoveel levendiger, realistischer ook. Mijn eigen zoon stelt het heel cru: een serie die zich in Vlaanderen afspeelt en waarin ze AN praten, die is niet geloofwaardig, want “niemand praat nog zo”.

Om te beginnen, maak je het verdomd moeilijk voor een buitenlander om zich echt te integreren in Vlaanderen. Je zult je maar in het Nederlandstalige deel van ons landje gevestigd hebben, netjes de inburgeringscursus gevolgd, en met veel moeite een nieuwe taal aangeleerd. En dan kom je op je eerste sollicitatie buiten de beschutte werkplaats waar je de eerste twee jaar gewerkt hebt… En spreken ze je aan in een taaltje dat amper lijkt op wat je geleerd hebt in je intensieve taalcursus. Een mens zou zich voor minder afvragen wie hier eigenlijk de inburgeringscursus moet volgen.

Ik werd jaren geleden al op hetzelfde probleem gewezen door een ondernemer uit het Noord-Franse Steenvoorde. De man was lid van een of andere sportclub in het Poperingse, en had er veel vrienden gemaakt. Maar hij vond het vervelend dat hij niet altijd kon meepraten met de groep, en vond het tegelijk niet normaal dat de hele groep Frans moest praten, als ze wilden dat hij iets van de conversatie zou begrijpen. Daarom deed hij de moeite om Nederlands te gaan leren… om na korte tijd vast te stellen dat wat hij aanleerde een totaal andere taal was dan wat ze in de sportclub spraken. Hij begreep nog altijd geen jota van wat er gezegd werd, en van zijn kant bereikte hij met zijn aangeleerde zinnetjes Nederlands niet meer dan vragende blikken en wat verholen gemonkel. De arme man heeft zijn cursus niet voleindigd, en heeft zich erbij neergelegd dat hij in zijn favoriete sportclub toch altijd een buitenbeentje zal blijven.

Ik snap wel dat je kunt beweren dat AN gekunsteld overkomt, wanneer je in het dagelijkse leven niets anders hoort dan dialect of tussentaal. Maar een algemeen aanvaarde norm voor hoe we met elkaar communiceren, dat is toch echt geen overbodige luxe. En wat die gekunsteldheid betreft: klinkt Martine Tanghe dan zo gekunsteld wanneer ze het nieuws brengt? Klinkt Bart Schols dan zo gekunsteld wanneer hij een interview afneemt? Waar het op neerkomt, is dat er in Vlaanderen met de tussentaal een soort laksheid is ontstaan – waar ik mezelf ook heel vaak op betrap, ik pleit schuldig.

Je kunt wel beweren dat dit een meer natuurlijke manier van praten is, en tussentaal heeft het voordeel dat ze meer algemeen begrepen wordt. Een Oost-Vlaming kan met tussentaal wel communiceren met een West-Vlaming, terwijl dat heel wat moeizamer gaat wanneer ze beiden vasthouden aan hun eigen plaatselijke dialect. Maar, die tussentaal blijft een onbegrijpelijk zootje voor wie als buitenlander of Franstalige landgenoot AN geleerd heeft, of voor Nederlanders die ons landje bezoeken. Op die manier word je als taalgemeenschap natuurlijk nooit voor vol aanzien, en dat is jammerlijk. Het is ook een beetje hypocriet om met stenen te gooien naar onze Franstalige landgenoten, omdat ze ‘onze’ taal niet leren. Misschien moeten we eerst zelf eens wat duidelijker overeen komen wat dat dan precies is, ‘onze’ taal, en ze verdomme zelf wat consequenter gaan gebruiken – pardon my French.

Ik pleit er dus voor om vaker gebruik te maken van AN, en om te beginnen: laat die ‘ge’ en ‘gij’ vallen, en vervang ze door ‘je’ wanneer je tegen vrienden praat, en ‘u’ bij meer formele gelegenheden. Als we nou met z’n allen daar eens mee begonnen?

 

 

Luister ook naar: https://vrttaal.net/nieuws/tussentaal-moeilijk-voor-franstaligen

Van Dale:

"tussentaal : 

1 taal(variëteit) met kenmerken van twee eraan verwante taalsystemen waartussen ze als overgang fungeert

    a     de informele spreektaal in Nederlandstalige België met grammaticale kenmerken van het dialect en fonologische kenmerken van de standaardtaal 

vergelijk Soapvlaams, Verkavelingsvlaams

woensdag 4 november 2020

Allemaal te wijten aan bijtende ironie

 



Als lid van de lokale BNI-afdeling breng ik iedere week een 60-seconden presentatie over mijn business als freelancevertaler en -copywriter. Om de zaak interessant te houden, smokkel ik op deze manier geregeld een taaltip binnen. Zo had ik het afgelopen vrijdag over het verschil tussen “te wijten aan” en “te danken aan”. Achteraf bedacht ik me dat ik onvolledig geweest was, en dat ik het eigenlijk ook had moeten hebben over ironie.

Ik begon mijn betoog met een voorbeeldje van een fout gebruik: “Zijn goede resultaten zijn te wijten aan hard studeren”. Vervolgens gaf ik aan dat de juiste uitdrukking in deze context was “Zijn goede resultaten zijn te danken aan hard studeren”. En ik besloot met de stelling dat “te wijten aan” altijd op iets negatiefs slaat, en “ te danken aan” op iets positiefs.

Ironie

Hiermee ging ik natuurlijk straal voorbij aan het feit dat taal veel rijker is dan dit, en dat er ook zoiets bestaat als ironisch taalgebruik. In bovenstaand voorbeeld zou het ook perfect kunnen dat je zegt: “Zijn povere resultaten zijn natuurlijk te danken aan keihard studeren”. Povere resultaten zijn niet meteen iets positiefs, dus had ik hier “te wijten aan” moeten gebruiken. Ja toch?

Wel, ja en nee. Een mistevreden ouder wiens studerende zoon de hele tijd beweerd heeft dat hij hard aan het studeren was, terwijl hij in werkelijkheid de bloemetjes buiten zette in de Overpoort, die kan bij het zien van het rapport van zoonlief perfect de stelling poneren dat de povere resultaten “te danken zijn” aan keihard studeren. Hij bedoelt uiteraard compleet het tegenovergestelde, maar dat is nu precies ironie. Door het zo te stellen, maakt hij meteen ook het verwijt dubbel zo hard dat zoonlief er bewust met de pet naar gegooid heeft.

Zoiets heet dan bijtende ironie, maar als ironie bijtend wordt, dan spreken we eigenlijk over sarcasme. Ironie is wat milder van toon en inborst, terwijl sarcasme al wat bijtender is. Van Dale omschrijft sarcasme als “bittere, bijtende spot”. Spot dus met een scherp kantje, soms misschien zelfs een beetje kwaadwillig, kwetsend bedoeld.

Drieluik

Ironie en sarcasme maken deel uit van een drieluik, dat vervolledigd wordt door cynisme. Als je de drie op een schaal zou plaatsen van wat bijtend is, dan staat ironie uiterst links en cynisme uiterst rechts. De cynicus zou in onze situatie iets kunnen gezegd hebben als “Waw, als je nóg harder gestudeerd had, dan had je wellicht allemaal nullen gehad.” Bij cynisme heb je vaak het gevoel dat de enige die de humor van de uitspraak nog inziet, degene is die ze maakt. Het verschil zit hem er voornamelijk in dat de cynicus ook echt wil kwetsen, terwijl de sarcast eerder uit is op een lichte steek. Hij wil een punt maken en kleedt het in op een ietwat humoristische manier.

Wie zich van ironie bedient, is de mildste van de drie. Deze persoon wil met zijn kwinkslag niet kwetsen. De sarcast wil nog net niet dat het kwetst, maar wel dat het eventjes prikt. De cynicus is iemand die het opgegeven heeft, voor hem maakt het allang niet meer uit of hij de ander kwetst, hij wil enkel een boodschap van ongenoegen overbrengen, en vaak is het precies de bedoeling dat hij kwetst. Voorbeeldje:

“Je nam die bocht wel heel vlot.”

“Zoals jij die bocht nam, Lewis Hamilton kan er nog iets van leren.”

Jij dacht ongetwijfeld: ik toon even aan de mensen dat je die bocht beter niet met 120 km/u neemt.”

Bij bovenstaande voorbeelden, kun je je de context ook makkelijk inbeelden. In het eerste geval hebben we te maken met een chauffeur die misschien een ietsje te gezwind door de bocht ging, maar er verder toch goed uitkwam. In het tweede geval liep het ook nog goed af, maar was er wel al sprake van gierende banden en misschien wat verbrand rubber. In het derde geval zijn er brokken gevallen, en is de spreker ervan overtuigd dat dit kwam door roekeloos rijgedrag.

Ironie, sarcasme en cynisme zijn dus stijlfiguren die iets vertellen over het karakter van de spreker, maar vaak ook over de ernst van een situatie, en over de verhouding van de spreker tot de aangesprokene. In een hiërarchische relatie worden sarcasme en cynisme over het algemeen niet geaccepteerd wanneer ze komen van de ondergeschikte en gericht zijn aan de overste. Omgekeerd is dat natuurlijk een ander paar mouwen…

Cynisch tot in de kist

Op taaladvies.net vond ik volgend voorbeeld van cynisme. Een dokter zegt over een patiënt: “We gaan hem nu opereren. Als hij blijf leven, hadden we het bij het rechte eind; als hij sterft, hebben we toch wat bijgeleerd.” Zo’n uitspraak kan onmogelijk door een assistent, maar wel perfect door een hoofdchirurg gemaakt zijn. Ze is verregaand cynisch, en kan enkel gemaakt zijn vanuit een positie van macht; niemand van de aanwezigen heeft de autoriteit om de spreker op de vingers te tikken. Hier wordt cynisme dus het instrument van de arrogante overste. Als een assistent zo’n uitspraak zou doen, dan wijst zijn overste hem ongetwijfeld meteen de deur.

Natuurlijk is het ook voor een groot deel subjectief, of iets nu ironisch, sarcastisch of cynisch is. Vooral tussen ironie en sarcasme loopt een dun stippellijntje en hangt evenveel af van de toon en de context, als van de onderlinge verhouding tussen spreker en aangesprokene. Maar dat heb je natuurlijk met humor: wie het zegt en hoe, is net zo belangrijk als de pointe van de uitspraak of mop zelf…

 

 

Van Dale :

Ironie:

1. het uiten van gedachten, meningen, het doen van mededelingen e.d. op zo’n manier dat duidelijk is dat het te verstaan gegevene niet in ál zijn aspecten serieus hoeft te worden opgevat

·         «Ironie is het domein van de gemengde gevoelens.» Herman de Coninck

·         lichte, milde, bittere, bijtende ironie

a inkleding van de gedachte waarbij je het tegendeel zegt van wat je eig. te verstaan wilt geven, m.n. een spottend of schamper prijzen van iets wat je wezenlijk afkeurt

·         ‘een lekkere ben jij zeg!’ is een voorbeeld van ironie

2. bij uitbreiding spot in het algemeen

·         uitdrukking de ironie van het lot

het toe­val dat het tegengestelde brengt van wat je verwacht

·         de ironie wil dat …

gezegd als iets het tegengestelde brengt van wat je verwacht of beoogt

sarcasme:

1. bittere, bijtende spot

 

cynisch:

(…) schaamteloos ongevoelig, een stuitend of pijnlijk ongeloof in het goede aan de dag leggend, niet gelovend aan oprechtheid of goede bedoelingen van de mensen en dit met spottende lach of op scherpe, sarcastische wijze laten blijken