zondag 10 januari 2021

Une belle histoire? Echt?

 


Une belle histoire? Echt?

 

Ik heb het al eerder gehad over mijn liefde voor het Franse chanson, en voor de Nederlandstalige kleinkunst. Een kenmerk van een goed chanson is uiteraard een goede tekst, al heb ik soms wel mijn bedenkingen bij die tekst.

Neem nu ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain. Het begint best onschuldig:

‘C’est un beau roman, c’est une belle histoire

C’est une romance d’aujourd’hui’

Dan denk je meteen: “Mooi we krijgen een verhaal van passie en liefde”. Maar als je verder luistert, valt dat eigenlijk dik tegen. Een jongen en een meisje ontmoeten elkaar, ergens op een departementale weg in Frankrijk. Hij is onderweg terug naar huis, naar ‘het mistige noorden’. Zij begint net aan haar vakantie en is op weg naar het zuiden van Frankrijk.

Meneer Fugain vindt dat het ‘sans doute un jour de chance’ is en dat ze de hemel binnen handbereik hebben, een geschenk van de voorzienigheid, quoi.

Onze fortuinlijke jongelui verstoppen zich vervolgens in het korenveld, ‘meedrijvend op de stroom van de gebeurtenissen’ (‘se laissant porter par les courants’), vertellen elkaar hun leven. Mooi vind ik dat Michel Fugain daaraan toevoegt ‘qui commençaient’. Je leest tussen de regels zo’n beetje dat hij eigenlijk ook vindt dat het nog maar snotneuzen zijn – wat weten zij nu eigenlijk van het leven?

Meteen daarna zegt hij het trouwens ook woordelijk : ‘ils n’étaient encore que des enfants, des enfants’.

Maar goed, op dit punt aangekomen, kan er nog altijd iets moois bloeien. En vervolgens gaat meneer Fugain duidelijk insinueren dat er daar in dat veld ook nog wel wat meer gebeurt dan twee mensen die elkaar hun leven vertellen.

In zijn ogen blijft het een geluksdag, terwijl ze

Qui cueillirent le ciel au creux de leurs mains

Comme on cueille la providence

Refusant de penser au lendemain

Oké, het is allemaal nogal wazig, maar je zult het met mij eens zijn, dat hij het hier heeft over wat men wel eens een stormachtige liefdesnacht pleegt te noemen. Op dit punt aangekomen denkt wie dit voor het eerst hoort allicht dat nu een vervolg komt van twee mensen die elkaar eeuwig trouw zweren en een lang leven aan elkaars zijde met vijf kinderen en een hond - de meesten gokken hier op een golden retriever - tegemoet gaan.

Niets is minder waar:

‘Ils se sont quittés au bord du matin

Sur l’autoroute des vacances

C’était fini le jour de chance

Wat? Is dat die grote romance? Een nachtje samen in het korenveld, en dan, hup, elk zijn eigen weg? Geen uitwisseling van telefoonnummers of adressen, geen beloften om contact te onderhouden? Nee:

Ils reprirent alors chacun leur chemin

Saluèrent la providence en se faisant un signe de la main’

Het enige wat er nog vanaf kan is een vaag gebaar met de hand naar elkaar, en een bedankingetje aan de voorzienigheid, en daarna zet hij zijn weg voort naar het mistige noorden, en trekt zij verder naar het zuiden, allicht op zoek naar nog meer van dergelijke ‘romances’. De voorzienigheid krabt zich allicht even in het haar, want dit was toch niet wat ze voor ogen had…

Ik weet wel, het nummer dateert van het jaar 1972, dat is midden in de periode van de flowerpower, en de vrije liefde was voor jongelui in die tijd zowat een geloofskwestie – ik heb het maar van horen zeggen, want ik was zelf nog een ietsje te jong. En, begrijp me vooral niet verkeerd, ik heb altijd van het nummer gehouden.

Maar in wezen krijgen we hier het verhaal van wat men heden ten dage een ‘tentsletje’ zou noemen en een jongen die daar maar al te graag van profiteert. Na afloop gaat elk zijn eigen weg, twee levens die elkaar heel even geraakt hebben, en dat is het dan.

Une belle histoire? Zo je wilt, zover wil ik nog wel gaan - misschien, hopelijk voor beiden, was de seks goed. Een romance? Kom nou, een beetje romanticus zal het met me eens zijn dat daar hier geen sprake van is.

Maar voor de rest: nog altijd een van mijn favoriete nummers in het Franstalige repertoire.

 

De volledige tekst:

C'est un beau roman, c'est une belle histoire
C'est une romance d'aujourd'hui
Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard
Elle descendait dans le Midi, le Midi
Ils se sont trouvés au bord du chemin
Sur l'autoroute des vacances
C'était sans doute un jour de chance
Ils avaient le ciel à portée de main
Un cadeau de la providence
Alors pourquoi penser au lendemain

Ils se sont cachés dans un grand champ de blé
Se laissant porter par les courants
Se sont racontés leurs vies qui commençaient
Ils n'étaient encore que des enfants, des enfants
Qui s'étaient trouvés au bord du chemin
Sur l'autoroute des vacances
C'était sans doute un jour de chance
Qui cueillirent le ciel au creux de leurs mains
Comme on cueille la providence
Refusant de penser au lendemain

C'est un beau roman, c'est une belle histoire
C'est une romance d'aujourd'hui
Il rentrait chez lui, là-haut vers le brouillard
Elle descendait dans le midi, le midi
Ils se sont quittés au bord du matin
Sur l'autoroute des vacances
C'était fini le jour de chance
Ils reprirent alors chacun leur chemin
Saluèrent la providence en se faisant un signe de la main

Il rentra chez lui, là-haut vers le brouillard
Elle est descendue là-bas dans le Midi
C'est un beau roman, c'est une belle histoire
C'est une romance d'aujourd'hui



Tekst en muziek : Michel Fugain, Pierre Delanoe, Big Bazar

dinsdag 8 december 2020

Wilt ge misschien toch eens overwegen...

 


... om wat minder tussentaal te praten?


Waw! Dit had ik misschien wel kunnen verwachten: blijkbaar heb ik met mijn stukje over het gebruik van ‘ge’ in het bijzonder en tussentaal in het algemeen hier en daar wel op een zere teen getrapt. Er waren in ieder geval heel wat reacties, waarvan sommige heel goed onderbouwd. Sommige mensen voelden zich blijkbaar heel erg aangesproken en, zoals ook te verwachten viel, zaten er een paar ronduit vijandige tussen, maar dat zul je altijd hebben…

Op de Facebookgroep ‘GentVertaalt’ waren de reacties het interessantst, en ik denk dan vooral aan de commentaar van Miet Ooms, die ik verder niet persoonlijk ken, maar die wel mijn respect kan wegdragen. Ik meen ook dat ze grotendeels gelijk heeft, wanneer ze stelt dat iedere taal beschikt over een of andere vorm van tussenregister voor de minder formele situatie. Ik kan op dat vlak enkel meepraten over het Engels en het Frans, en ik kan alleen maar beamen dat tussentaal in die taalgemeenschappen bestaat.

Ik ontken ook niet dat tussentaal bestaansrecht heeft, maar ik blijf erbij dat je met de Vlaamse tussentaal wel heel ver afwijkt van de standaardtaal. De argumenten over tussentaal bij andere talen zijn geldig… en ook weer niet. Alweer: ik kan enkel op een zinvolle manier meepraten over Frans en Engels. Ik heb die talen geleerd op school, op bachelorniveau, heb daarna in mijn werk altijd heel intensief gewerkt met Franstalige klanten en Franstalige collega’s, werkte zelfs een tijdlang in Noord-Frankrijk. Ik woon en werk ook al meer dan dertig jaar in het West-Vlaamse Menen dat tegen de Franse grens aanschurkt. Wij (mijn vrouw en ik) komen dagelijks in contact met Noord-Fransen. Op geen enkel moment ben ik geconfronteerd geweest met een situatie waar mijn gesprekspartner vasthield aan een taalregister waar ik geen weg mee kon. Een anderstalige heeft in Vlaanderen jammer genoeg wel eens andere ervaringen.

Ook bij onze vele reizen in Engeland, Wales en Ierland konden wij dezelfde vaststelling maken, al moet je hier wel toegeven dat in een dergelijke context alle situaties formeel zijn. Het is dus wel normaal dat de mensen die je als toerist ontmoet, moeite doen om standaard Engels met je te praten. Laat ik dus niet te veel conclusies vasthangen aan mijn ervaringen met het Engels.

Ik keer dus graag terug naar het Frans, waar ik wel veel contacten had en heb in minder formele situaties, vaak dus ook situaties waarin niet zo erg gelet wordt op verzorgd taalgebruik. Het verdient een wetenschappelijke studie, maar het is mijn stellige indruk dat de Vlaamse tussentaal veel verder van het Standaardnederlands afligt dan de Franse tussentaal van het standaard Frans. Iemand die het schoolse Frans goed beheerst kan volgens mij in gans Frankrijk een begrijpbare conversatie voeren, zolang de tegenpartij niet overstapt op plat dialect.

Maar laat het ons nog eens hebben over het Nederlands en onze Vlaamse tussentaal. Zoals gezegd, ik heb een paar heel geldige argumenten gekregen in de reacties, tot op het punt waar ik me afvroeg: misschien heeft (alweer) Miet Ooms wel gelijk? Tussen haakjes: ik moet toch haar boek eens gaan lezen. Misschien moeten we in de lessen Nederlands voor anderstaligen wat meer aandacht gaan besteden aan de tussentaal. Misschien is het een ietsje te schoolmeesterachtig om vast te houden aan dat AN, en dat te willen ‘opdringen’ aan eenieder.

En toen ging Martine Tanghe met pensioen…

Voor wie zich mocht afvragen wat het pensioen van Martine Tanghe hier in godsnaam mee te maken heeft: wel, misschien herinner je je wel dat ik het in mijn vorige stukje ook had over het verzorgde taalgebruik van Martine Tanghe, en hoe dat taalgebruik het argument ontkracht dat AN gekunsteld zou overkomen. Bij haar afscheid werd ze van verschillende kanten nog eens geroemd, precies omwille van dat taalgebruik, en dat sterkte mij toch weer een beetje in mijn standpunt.

Dus overdacht ik nog even de argumenten die jullie aanbrachten ten faveure van tussentaal… En ze snijden geen hout. Het voorstel om wat meer aandacht te besteden aan tussentaal in de lessen Nederlands voor anderstaligen, wil ik toch wel eens uitgewerkt zien. Welke tussentaal wil je dan gaan gebruiken? Ik herinner nog even aan de definitie voor tussentaal zoals ze in Van Dale staat : 
“de informele spreektaal in Nederlandstalige België met grammaticale kenmerken van het dialect en fonologische kenmerken van de standaardtaal“. 

Kijk, daar zit je al met een flink probleem. Aangezien er in die tussentaal kenmerken van het dialect doorsijpelen, heb je alweer verschillen naargelang de streek. De tussentaal van een West-Vlaming is niet dezelfde als die van een Antwerpenaar. Tussentaal aanleren wordt dus een heikele kwestie, want om een taal aan te leren moet je toch ook wel rekening houden met een aantal regels. Wiens regels volg je dan voor de tussentaal? Als je een taal aanleert, moet je dat doen volgens een bepaalde standaard, maar het basiskenmerk van tussentaal is precies dat er geen standaard is. Hoe kun je die taal dan op een zinvolle manier aanleren? 

En verder: hoeveel dialect mag er in je tussentaal zitten vooraleer je weer spreekt van dialect? Ook dat zal verschillen van streek tot streek. De (flauwe) grap dat iedere Antwerpenaar van zichzelf denkt dat hij AN praat is ook weer niet zo vergezocht: ik ben er zeker van dat menig Antwerpenaar de tussentaal van de doorsnee West-Vlaming nog zal zien als dialect, terwijl hij zijn eigen Antwerpse tussentaal toch beschouwt als bijna gelijk aan AN. Het punt is: als je naar tussentaal gaat, dan gooi je iedere norm overboord, en iedereen doet maar wat. 

Is dat dan zo erg, vraag je me? Vrijheid, blijheid, ja toch?

Dat was inderdaad de teneur van heel wat commentaren. De vele aanhangers van het gebruik van tussentaal schijnen te vinden dat AN een kneuterige beperking inhoudt van hun taalgebruik. Je moet je aan een bepaalde norm houden, en dan kun je niet op een natuurlijke manier converseren. Mijn punt is precies dat je wel op een natuurlijke manier kunt converseren in standaard-AN, als je dit maar voldoende inoefent. Als je jezelf die norm maar voldoende oplegt. En dat is iets wat in Vlaanderen al enige decennia niet meer algemeen gebeurt.

Nu begrijp ik het ook wel… Het was om te beginnen fout om te spreken van Algemeen Beschaafd Nederlands, want daarmee gaf je al wie dat ABN niet voldoende beheerste het stigma van lomperik. Daar zijn ze gelukkig van afgestapt. Het was ook soms een beetje jammerlijk hoe Van Dale heel wat in Vlaanderen gangbare uitdrukkingen en woorden hardnekkig bleef bestempelen als “Zuid-Nederlands”, en hoe dit voor taalpuristen dan voldoende reden was om de betreffende term of uitdrukking in de ban te slaan. Alsof nieuwe termen en uitdrukkingen enkel vanuit het noorden konden ingevoerd worden in het AN.

Op die manier hebben we in Vlaanderen misschien wel een soort weerstand aangekweekt tegen die standaardtaal, een afkeer ervan zelfs, want AN, dat is de taal van de puristen, van de regelneven, de taal van het noorden ook. En vooral die eerste twee moeten we in Vlaanderen niet zo erg. Dus gebruiken we veelvuldig tussentaal, en denken hierbij soms zelfs dat we AN aan het praten zijn. Ik blijf het dus jammer vinden dat het Algemeen Nederlands op die manier in de verdrukking komt, en daardoor ook door een groot deel van onze taalgemeenschap niet of onvoldoende beheerst wordt.

Voor sommigen maakt mij dat blijkbaar tot een soort taalnazi. Terwijl ik er enkel wil voor pleiten dat we het in Vlaanderen eindelijk een keer eens worden over het gebruik van een standaardtaal, waarin iedereen zich verstaanbaar kan uitdrukken. Een standaardtaal die we aan buitenlanders als vreemde taal kunnen aanleren met de zekerheid dat ze die ook kunnen gebruiken in het dagelijks leven, ja dus ook bij de bakker en de slager.

Is dat zoveel gevraagd?

zondag 22 november 2020

Wilt ge nu eindelijk eens ophouden met dat tussentaaltje?

 


 

Enige tijd geleden maakte ik kennis met de website vlaamswoordenboek.be. Niet oninteressant, want je vindt er heel wat informatie over ons typisch Vlaamse taalgebruik, ook al heb ik de indruk dat de site niet meer helemaal up-to-date is. Maar dat heeft ook weer zijn voordelen. Zo kun je hier zien dat in 2013 Van Dale de uitdrukking ‘niet veel potten breken’ nog het label ‘Belgisch-Nederlands’ meegaf. Tegenwoordig staat dat label niet meer bij die uitdrukking, wat zou betekenen dat sommige uitdrukkingen of woorden vanuit Vlaanderen de oversteek maken naar Nederland, en na enige tijd ook in het noorden algemeen ingeburgerd raken. Dat vindt deze Vlaming best een fijne vaststelling.

Waar ik me niet in kan vinden, is de voorkeur van vlaamswoordenboek.be voor ‘ge’ als persoonlijk voornaamwoord. Ik ben West-Vlaming, en in mijn plaatselijke dialect zijn ‘ge’ en ‘gie’ inderdaad de gangbare vorm in het dagelijks taalgebruik, en in de Vlaamse tv-series vliegen de ‘ge’s’ en ‘gij’s’ ook vrolijk in het rond. Je zou dus kunnen beweren dat de ge-vorm algemeen aanvaard is in de Vlaamse spreektaal. Maar als ik hem zo zie staan in een geschreven tekst, dan wringt dat voor mij toch een beetje… Nou, niet echt een beetje, maar behoorlijk veel.

Van Dale weet het volgende over ‘ge’ als persoonlijk voornaamwoord:

“in Noord-Nederland verouderd behalve sporadisch in vormelijke schrijftaal en in zeer vormelijke gesproken taal (t.w. bij het spreken tot publiek en tot God), in Zuid-Nederland en België nog in de omgangstaal (…) (in het enkelvoud vervangen door ‘jij’, en in het meervoud door ‘u’)”

Eigenaardig toch… In mijn herinnering gebruiken de Vlaamse series uit mijn jeugd heel consequent ‘je’, ‘jij’ en ‘u’, maar een ‘ge’ of ‘gij’ hoorde je er zelden of nooit. Ik deed even een snelle steekproef, vooral dan bij de jeugdseries uit die tijd. We spreken van eind jaren 60, begin jaren 70, met reeksen als ‘Axel Nort’(met een piepjonge, knappe Johny Voners!), ‘Kapitein Zeppos’, ‘Het zwaard van Ardoewaan’, ‘Fabian van Fallada’, ‘Johan en de Alverman’, enz. En het klopt, blijkbaar leefde bij de toenmalige BRT nog heel sterk de norm van het AN. Toen spraken ze zelfs nog van ABN – Algemeen Beschaafd Nederlands. Wie dialect sprak, die was dus niet beschaafd!

Wanneer zijn ze dan van die norm afgestapt, en voor Vlaamse tv-series overgeschakeld naar wat we inmiddels - ik denk niet dat de term in de jaren 60 al bestond -tussentaal zijn gaan noemen? In zijn podcast die hij samen met de Franstalige Belg Alain Gerlache verzorgt voor de site van de VRT (zie link hieronder) schrijft Ivan De Vadder het allemaal toe aan de opkomst van de commerciële televisie, maar ik denk dat hij zich vergist. Kijk nog maar eens naar de eerste afleveringen van de immens populaire serie ‘De Collega’s’: daarin spreken ze elkaar steevast aan met ‘ge’ en ‘gij’, en is de overgang naar tussentaal al duidelijk ingezet. De eerste jaargang van ‘De Collega’s’ dateert van 1978, dat is zo’n negen jaar voor VTM zijn eerste uitzending de ether instuurde.

In ‘De Collega’s’ gingen ze zelfs zo ver dat de enige die Algemeen (Beschaafd) Nederlands sprak, het bekakte personage van Bonaventure Verastenhoven was. De implicatie was duidelijk: wie zich op de werkvloer aan het AN hield, die was meteen gedoemd om het buitenbeentje van de groep te worden. Dat het de commerciële zenders zijn die de tussentaal lanceerden, klopt dus helemaal niet. Het lijkt er eerder op dat het de BRT/VRT zelf is die de overgang heeft ingezet naar tussentaal in onze tv-series.

Wat is daar nou op tegen, hoor ik u al vragen. Een beetje tussentaal kan toch geen kwaad, en het maakt zo’n serie zoveel levendiger, realistischer ook. Mijn eigen zoon stelt het heel cru: een serie die zich in Vlaanderen afspeelt en waarin ze AN praten, die is niet geloofwaardig, want “niemand praat nog zo”.

Om te beginnen, maak je het verdomd moeilijk voor een buitenlander om zich echt te integreren in Vlaanderen. Je zult je maar in het Nederlandstalige deel van ons landje gevestigd hebben, netjes de inburgeringscursus gevolgd, en met veel moeite een nieuwe taal aangeleerd. En dan kom je op je eerste sollicitatie buiten de beschutte werkplaats waar je de eerste twee jaar gewerkt hebt… En spreken ze je aan in een taaltje dat amper lijkt op wat je geleerd hebt in je intensieve taalcursus. Een mens zou zich voor minder afvragen wie hier eigenlijk de inburgeringscursus moet volgen.

Ik werd jaren geleden al op hetzelfde probleem gewezen door een ondernemer uit het Noord-Franse Steenvoorde. De man was lid van een of andere sportclub in het Poperingse, en had er veel vrienden gemaakt. Maar hij vond het vervelend dat hij niet altijd kon meepraten met de groep, en vond het tegelijk niet normaal dat de hele groep Frans moest praten, als ze wilden dat hij iets van de conversatie zou begrijpen. Daarom deed hij de moeite om Nederlands te gaan leren… om na korte tijd vast te stellen dat wat hij aanleerde een totaal andere taal was dan wat ze in de sportclub spraken. Hij begreep nog altijd geen jota van wat er gezegd werd, en van zijn kant bereikte hij met zijn aangeleerde zinnetjes Nederlands niet meer dan vragende blikken en wat verholen gemonkel. De arme man heeft zijn cursus niet voleindigd, en heeft zich erbij neergelegd dat hij in zijn favoriete sportclub toch altijd een buitenbeentje zal blijven.

Ik snap wel dat je kunt beweren dat AN gekunsteld overkomt, wanneer je in het dagelijkse leven niets anders hoort dan dialect of tussentaal. Maar een algemeen aanvaarde norm voor hoe we met elkaar communiceren, dat is toch echt geen overbodige luxe. En wat die gekunsteldheid betreft: klinkt Martine Tanghe dan zo gekunsteld wanneer ze het nieuws brengt? Klinkt Bart Schols dan zo gekunsteld wanneer hij een interview afneemt? Waar het op neerkomt, is dat er in Vlaanderen met de tussentaal een soort laksheid is ontstaan – waar ik mezelf ook heel vaak op betrap, ik pleit schuldig.

Je kunt wel beweren dat dit een meer natuurlijke manier van praten is, en tussentaal heeft het voordeel dat ze meer algemeen begrepen wordt. Een Oost-Vlaming kan met tussentaal wel communiceren met een West-Vlaming, terwijl dat heel wat moeizamer gaat wanneer ze beiden vasthouden aan hun eigen plaatselijke dialect. Maar, die tussentaal blijft een onbegrijpelijk zootje voor wie als buitenlander of Franstalige landgenoot AN geleerd heeft, of voor Nederlanders die ons landje bezoeken. Op die manier word je als taalgemeenschap natuurlijk nooit voor vol aanzien, en dat is jammerlijk. Het is ook een beetje hypocriet om met stenen te gooien naar onze Franstalige landgenoten, omdat ze ‘onze’ taal niet leren. Misschien moeten we eerst zelf eens wat duidelijker overeen komen wat dat dan precies is, ‘onze’ taal, en ze verdomme zelf wat consequenter gaan gebruiken – pardon my French.

Ik pleit er dus voor om vaker gebruik te maken van AN, en om te beginnen: laat die ‘ge’ en ‘gij’ vallen, en vervang ze door ‘je’ wanneer je tegen vrienden praat, en ‘u’ bij meer formele gelegenheden. Als we nou met z’n allen daar eens mee begonnen?

 

 

Luister ook naar: https://vrttaal.net/nieuws/tussentaal-moeilijk-voor-franstaligen

Van Dale:

"tussentaal : 

1 taal(variëteit) met kenmerken van twee eraan verwante taalsystemen waartussen ze als overgang fungeert

    a     de informele spreektaal in Nederlandstalige België met grammaticale kenmerken van het dialect en fonologische kenmerken van de standaardtaal 

vergelijk Soapvlaams, Verkavelingsvlaams

woensdag 4 november 2020

Allemaal te wijten aan bijtende ironie

 



Als lid van de lokale BNI-afdeling breng ik iedere week een 60-seconden presentatie over mijn business als freelancevertaler en -copywriter. Om de zaak interessant te houden, smokkel ik op deze manier geregeld een taaltip binnen. Zo had ik het afgelopen vrijdag over het verschil tussen “te wijten aan” en “te danken aan”. Achteraf bedacht ik me dat ik onvolledig geweest was, en dat ik het eigenlijk ook had moeten hebben over ironie.

Ik begon mijn betoog met een voorbeeldje van een fout gebruik: “Zijn goede resultaten zijn te wijten aan hard studeren”. Vervolgens gaf ik aan dat de juiste uitdrukking in deze context was “Zijn goede resultaten zijn te danken aan hard studeren”. En ik besloot met de stelling dat “te wijten aan” altijd op iets negatiefs slaat, en “ te danken aan” op iets positiefs.

Ironie

Hiermee ging ik natuurlijk straal voorbij aan het feit dat taal veel rijker is dan dit, en dat er ook zoiets bestaat als ironisch taalgebruik. In bovenstaand voorbeeld zou het ook perfect kunnen dat je zegt: “Zijn povere resultaten zijn natuurlijk te danken aan keihard studeren”. Povere resultaten zijn niet meteen iets positiefs, dus had ik hier “te wijten aan” moeten gebruiken. Ja toch?

Wel, ja en nee. Een mistevreden ouder wiens studerende zoon de hele tijd beweerd heeft dat hij hard aan het studeren was, terwijl hij in werkelijkheid de bloemetjes buiten zette in de Overpoort, die kan bij het zien van het rapport van zoonlief perfect de stelling poneren dat de povere resultaten “te danken zijn” aan keihard studeren. Hij bedoelt uiteraard compleet het tegenovergestelde, maar dat is nu precies ironie. Door het zo te stellen, maakt hij meteen ook het verwijt dubbel zo hard dat zoonlief er bewust met de pet naar gegooid heeft.

Zoiets heet dan bijtende ironie, maar als ironie bijtend wordt, dan spreken we eigenlijk over sarcasme. Ironie is wat milder van toon en inborst, terwijl sarcasme al wat bijtender is. Van Dale omschrijft sarcasme als “bittere, bijtende spot”. Spot dus met een scherp kantje, soms misschien zelfs een beetje kwaadwillig, kwetsend bedoeld.

Drieluik

Ironie en sarcasme maken deel uit van een drieluik, dat vervolledigd wordt door cynisme. Als je de drie op een schaal zou plaatsen van wat bijtend is, dan staat ironie uiterst links en cynisme uiterst rechts. De cynicus zou in onze situatie iets kunnen gezegd hebben als “Waw, als je nóg harder gestudeerd had, dan had je wellicht allemaal nullen gehad.” Bij cynisme heb je vaak het gevoel dat de enige die de humor van de uitspraak nog inziet, degene is die ze maakt. Het verschil zit hem er voornamelijk in dat de cynicus ook echt wil kwetsen, terwijl de sarcast eerder uit is op een lichte steek. Hij wil een punt maken en kleedt het in op een ietwat humoristische manier.

Wie zich van ironie bedient, is de mildste van de drie. Deze persoon wil met zijn kwinkslag niet kwetsen. De sarcast wil nog net niet dat het kwetst, maar wel dat het eventjes prikt. De cynicus is iemand die het opgegeven heeft, voor hem maakt het allang niet meer uit of hij de ander kwetst, hij wil enkel een boodschap van ongenoegen overbrengen, en vaak is het precies de bedoeling dat hij kwetst. Voorbeeldje:

“Je nam die bocht wel heel vlot.”

“Zoals jij die bocht nam, Lewis Hamilton kan er nog iets van leren.”

Jij dacht ongetwijfeld: ik toon even aan de mensen dat je die bocht beter niet met 120 km/u neemt.”

Bij bovenstaande voorbeelden, kun je je de context ook makkelijk inbeelden. In het eerste geval hebben we te maken met een chauffeur die misschien een ietsje te gezwind door de bocht ging, maar er verder toch goed uitkwam. In het tweede geval liep het ook nog goed af, maar was er wel al sprake van gierende banden en misschien wat verbrand rubber. In het derde geval zijn er brokken gevallen, en is de spreker ervan overtuigd dat dit kwam door roekeloos rijgedrag.

Ironie, sarcasme en cynisme zijn dus stijlfiguren die iets vertellen over het karakter van de spreker, maar vaak ook over de ernst van een situatie, en over de verhouding van de spreker tot de aangesprokene. In een hiërarchische relatie worden sarcasme en cynisme over het algemeen niet geaccepteerd wanneer ze komen van de ondergeschikte en gericht zijn aan de overste. Omgekeerd is dat natuurlijk een ander paar mouwen…

Cynisch tot in de kist

Op taaladvies.net vond ik volgend voorbeeld van cynisme. Een dokter zegt over een patiënt: “We gaan hem nu opereren. Als hij blijf leven, hadden we het bij het rechte eind; als hij sterft, hebben we toch wat bijgeleerd.” Zo’n uitspraak kan onmogelijk door een assistent, maar wel perfect door een hoofdchirurg gemaakt zijn. Ze is verregaand cynisch, en kan enkel gemaakt zijn vanuit een positie van macht; niemand van de aanwezigen heeft de autoriteit om de spreker op de vingers te tikken. Hier wordt cynisme dus het instrument van de arrogante overste. Als een assistent zo’n uitspraak zou doen, dan wijst zijn overste hem ongetwijfeld meteen de deur.

Natuurlijk is het ook voor een groot deel subjectief, of iets nu ironisch, sarcastisch of cynisch is. Vooral tussen ironie en sarcasme loopt een dun stippellijntje en hangt evenveel af van de toon en de context, als van de onderlinge verhouding tussen spreker en aangesprokene. Maar dat heb je natuurlijk met humor: wie het zegt en hoe, is net zo belangrijk als de pointe van de uitspraak of mop zelf…

 

 

Van Dale :

Ironie:

1. het uiten van gedachten, meningen, het doen van mededelingen e.d. op zo’n manier dat duidelijk is dat het te verstaan gegevene niet in ál zijn aspecten serieus hoeft te worden opgevat

·         «Ironie is het domein van de gemengde gevoelens.» Herman de Coninck

·         lichte, milde, bittere, bijtende ironie

a inkleding van de gedachte waarbij je het tegendeel zegt van wat je eig. te verstaan wilt geven, m.n. een spottend of schamper prijzen van iets wat je wezenlijk afkeurt

·         ‘een lekkere ben jij zeg!’ is een voorbeeld van ironie

2. bij uitbreiding spot in het algemeen

·         uitdrukking de ironie van het lot

het toe­val dat het tegengestelde brengt van wat je verwacht

·         de ironie wil dat …

gezegd als iets het tegengestelde brengt van wat je verwacht of beoogt

sarcasme:

1. bittere, bijtende spot

 

cynisch:

(…) schaamteloos ongevoelig, een stuitend of pijnlijk ongeloof in het goede aan de dag leggend, niet gelovend aan oprechtheid of goede bedoelingen van de mensen en dit met spottende lach of op scherpe, sarcastische wijze laten blijken

woensdag 14 oktober 2020

Is kleinkunst wel zo klein?

 





Is kleinkunst wel zo klein?


Een paar blogs geleden had ik het over het Franse chanson, en mijn jarenlange liefde daarvoor. Ik vroeg toen aan mijn collega’s BNI-leden ook om mij hun top drie van het Franse chanson eens op te geven. Iedereen bleek hier heel enthousiast over, en het resultaat was een lijstje met 35 nummers, waar ik me voor het grootste deel ook in kon vinden. Gilbert Bécaud haalde de meeste stemmen met ‘Et Maintenant’. 

Belangrijke vaststelling was, dat er duidelijk geen discussie was over wat nu precies tot het Franse chanson gerekend moet worden. Ik stel me de vraag of het met het Nederlandstalige lied hetzelfde zou zijn, en dan vooral met wat we ‘kleinkunst’ zijn gaan noemen. Ik ben er nog niet toe overgegaan om een top drie van de kleinkunst te vragen aan mijn vrienden, maar ik vrees dat de meningen over wat in zo’n lijstje thuishoort niet eenduidig zullen zijn.



Definities

Wat is kleinkunst dan? Van Dale hanteert een redelijk beperkte – en beperkende – definitie: 

“theaterkunst die gericht is op het maken en presenteren van een gevarieerd amusementsprogramma (bv. cabaret, mime) ≈ variété 

a niet algemeen theaterkunst van geringe kwaliteit” 

Op Spotify ben ik, terwijl ik dit schrijf, de “Komplete Kleinkunstkollektie” (sic) aan het beluisteren, en het grootste deel van de hierin opgenomen nummers en artiesten voldoen niet aan de definitie van Van Dale. Bij mijn weten hebben Kris De Bruyne, Zjef Vanuytsel, Boudewijn de Groot, Conny Vandenbos, Wim De Craene, Rob De Nijs, Louis Neefs, enz. nooit aan cabaret, mime of gevarieerd amusement gedaan. De enigen in het lijstje die echt aan die definitie voldoen zijn Wim Sonneveld, Paul van Vliet, Frans Halsema, Kommil Foo, Urbanus, De Nieuwe Snaar, Herman Van Veen, Jasperina De Jong en Toon Hermans. Misschien vergeet ik er hier en daar een, maar het grootste deel van de artiesten op de lijst zijn geen cabaretiers en u zult het dus met me eens zijn dat de definitie van Van Dale de lading niet dekt. 

Goed, misschien is Van Dale hierin niet helemaal accuraat. Dan maar een iets meer gezaghebbende bron gezocht, althans meer gezaghebbend als we het over muziek en theater willen hebben. Ik ga dus te rade bij het “Lexicon voor de kunstvakken”: 

“Kleinkunst is een verzamelbegrip voor theaterkunst die gericht is op het maken en het presenteren (zie presentatie (1)) van amusementsprogramma's met gevarieerde inhoud, zoals cabaret, mime en variété; meestal in kleine theateraccommodaties.” 

Ook hier dus het amusementsprogramma met gevarieerde inhoud, met dan nog erbij de bepaling dat het “meestal in kleine theateraccommodaties” dient te geschieden. Ik begin me stilaan af te vragen of ik ergens een bocht heb gemist… 



Wikipedia voor een keer de beste? 

Nu hoor je over Wikipedia altijd zeggen dat je er heel erg mee moet oppassen, want dat de informatie niet altijd geverifieerd is, dat je niet alles zonder meer als waar kunt aannemen wat je hier leest. Voordeel van Wikipedia is wel dat er meestal wat dieper ingegaan wordt op het besproken onderwerp, en dat is niet anders voor het lemma ‘kleinkunst’. Ik lees hier onder meer het volgende: 

“Het begrip komt in Nederland grofweg overeen met cabaret maar wordt ook wel gebruikt voor verwante vormen van theater zoals het luisterlied en musical.” 

Eindelijk valt de beperkte visie weg, en nemen we ook het luisterlied en zelfs de musical mee in bad. 

We lezen verder ook : 

“In Vlaanderen wordt de term kleinkunst vooral gebruikt voor zangers en muziekgroepen die zingen in het Nederlands, met een eenvoudig, meestal akoestisch instrumentarium.” 

Kijk, hier kan ik me welhaast volledig in vinden, ook al is dat van dat ‘akoestisch instrumentarium’ lang niet altijd het geval, maar nu ben ik waarschijnlijk aan het vitten (er staat ook 'meestal'). Hier vallen een Jan De Wilde, Raymond Van Het Groenewoud, Willem Vermandere, Wannes Van De Velde, Spinvis, Johan Verminnen, Ramses Shaffy, Liesbeth List cum suis helemaal binnen de uitgetekende krijtlijnen. 



Betty Owczarek 

Maar ik zou mezelf niet zijn, als ik nu helemaal tevreden was. In de “Komplete Kleinkunstkollektie” staan ook nummers van Frank Boeijen, Flip Kowlier, Noordkaap en Meuris, Clouseau, Doe Maar, Het Goede Doel … “Wacht eens,” denk ik dan, “vallen die ook onder kleinkunst?” Is dit niet eerder Nederlandstalige – nou ja, of West-Vlaamse - pop? En waarom staat in de lijst wel het nummer “Vreemde Vogels” van Claire, en niets, maar dan ook helemaal niets van Will Tura (“Linda”! “Eenzaam zonder jou”! “Heimwee naar huis”!). What’s next, hoor ik u haast denken. Straks wil ik er ook nog Eddy Wally, Willy Sommers, Dana Winner, Luc Steeno, Laura Lynn en, godbetert, Betty Owczarek bijsleuren! 

Begrijp me alstublieft niet verkeerd: ik heb respect voor… nou ja, haast alle artiesten uit de vorige alinea. Maar wat we tot nu toe hebben aan definities voor kleinkunst laat niet toe om de zaak netjes af te bakenen. Niemand kan me met die definities in de hand uitleggen waarom Louis Neefs wel in de kleinkunstcanon is opgenomen en Will Tura niet. Eigenlijk zijn de beperkingen van de definitie van Van Dale en het “Lexicon voor de kunstvakken” dan tenminste duidelijk, maar dan moet je drie kwart van de opgenomen nummers uit de “Keinkunstkollektie” schrappen. 



Eclectisch 

Als het voorgaande een zaak aantoont, dan is het wel dat labels kleven altijd een gevaarlijke evenwichtsoefening is, of het nu over muziek gaat of over filmgenres, kunststromingen, of zelfs psychische aandoeningen. Wat voor mij wel vaststaat, is dat voor iemand als ik, met een heel eclectische muzieksmaak, er heel weinig nummers in de “Kleinkunstkollektie” staan die ik liefst meteen maar doorspoel. En als je mijn top drie wil kennen van de ‘kleinkunst’, dan geef ik die hierbij graag: 

1. Mia – Gorki (kleinkunst of Vlaamse pop?); 

2. Pastorale - Liesbeth List & Ramses Shaffy (kleinkunst, zeker wel, en toch een heel barok, haast symfonisch nummer); 

3. Linda – Will Tura (kleinkunst of Vlaamse schlager? Die had ik echt wel in de ‘kollektie’ willen zien); 



Het is dus een kwestie van gevoel, van aanvoelen, en ik kan alleen maar akkoord gaan met wat Johan Anthierens erover wist te vertellen: “Er is geen afdoende antwoord op die vraag (wat nu precies een chanson is, Johan Feys), er zijn geen afgebakende grenzen. Een chanson moet je niet proberen catalogeren, maar wel willen aanvoelen.” (Zie voor de volledige quote onderaan deze blog)… 



Zie ook : 



Citaat Johan Anthierens: 

"Er is geen afdoende antwoord op die vraag (wat nu precies een chanson is, Johan Feys), er zijn geen afgebakende grenzen. Een chanson moet je niet proberen catalogeren, maar wel willen aanvoelen... In een chanson ontdekt de luisteraar, naargelang zijn aanleg, splinters spleen, peukjes poëzie, flarden frisse flauwekul en korreltjes liefdes- en levensfilosofie. Al deze kneepjes kunst moeten zuiver gefilterd zijn, mogen nergens naar commerciële bijkomstigheden smaken. "(Johan ANTHIERENS, Een keurkorf luisterliedjes, Heideland, Hasselt, 1964, p. 8-9)

maandag 28 september 2020

Tarantinoesque of cruijffiaans?

 

"Sure, Kill Bill is a violent movie. But it's a Tarantino movie. You don't go to see Metallica and ask the fuckers to turn the music down." - Quentin Tarantino

 

Onlangs stootte ik eerder toevallig op volgend wist-je-datje: sedert 2018 is het woord Tarantinoesque opgenomen in de Oxford English Dictionary. De term verwijst uiteraard naar de filmmaker Quentin Tarantino en betekent zoveel als ‘gelijkend op de films van Quentin Tarantino, die gekend zijn voor hun expliciete en gestileerde gewelddadigheid, non-lineaire verhaallijn, cinematografische verwijzingen en scherpe dialogen ’ (vrij vertaald uit de omschrijving in het woordenboek).

Tot nader order heeft het woord nog niet onze Van Dale gehaald, maar je moet het meneer Tarantino wel nageven: er zijn niet veel mensen die een eigen woord krijgen in wat voor woordenboek dan ook. Hij speelt het zelfs nog bij leven klaar. Als liefhebber van zijn films, kan ik dit alleen maar toejuichen. Naast het feit dat dit aangeeft hoezeer zijn films gekenmerkt worden door een eigen stijl, en hoezeer ze de hele filmwereld beïnvloed hebben en nog altijd beïnvloeden, kun je het gewoon ook zien als een passend eerbetoon aan een groot filmmaker.

Fancy

Nu is zo’n woord dat afgeleid is van de naam van een persoon ook in het Nederlands niet uitzonderlijk. Met een fancy woord heet zoiets een eponiem, en u gebruikt ze om de haverklap in het dagelijkse leven, allicht zonder te beseffen dat ze verwijzen naar een persoon.

Er zijn natuurlijk de meest voor de hand liggende, namelijk de termen die we gebruiken voor allerlei wetenschappelijke eenheden, zoals joule, watt, newton, hertz, Kelvin, Celsius, Fahrenheit (*), farad, coulomb, volt, ampère, ohm, tesla, decibel, pascal. Het zal niemand verbazen dat dit eponiemen zijn, maar dit zijn nu niet bepaald woorden die de doorsneemens vaak bezigt.

Kafka natuurlijk

Een andere bekende naam in dit verband is die van Franz Kafka, de Tsjechische schrijver (1883-1924) die aan de oorsprong ligt van een hele reeks woorden in het Nederlands. Van Dale neemt volgende woorden op: Kafka, kafka, kafkabrigade, kafkaësk, kafkaiaans, kafkatest, kafkatoets. Dat zijn flink wat woorden, en als meneer Kafka nog leefde, dan mocht hij hier best wel trots op zijn. Anderzijds is het voor gelijk welke organisatie geen compliment als ze je omschrijven als kafkaësk of kafkaiaans. Van Dale omschrijft dit namelijk als volgt: “op raadselachtige wijze beangstigend, bedreigend (vooral door een overgeperfectioneerde samenleving die zich aan de controle van het individu onttrekt)”. Niet echt opbeurend!

Kafka is zo sterk dat de term ook in andere talen gemeengoed werd: het Frans (kafkaïen), het Engels (Kafkaesque) en het Duits (kafkaesk) hebben allemaal een lemma in hun toonaangevende woordenboeken, en daar stopt het niet. Ik bespaar je een opsomming van gelijkaardige termen, maar kan bevestigen dat ook o.a. het Deens, Italiaans, Noors, Pools, Russisch, Spaans, Zweeds een of meer eponiemen hebben die naar de Tsjech verwijzen.

Maar Kafka is dus een voor de hand liggend voorbeeld, net als de woorden sadisme, masochisme en saxofoon. Ik vertel niets nieuws als ik hieraan toevoeg dat de termen afgeleid zijn van de heren Adolph Sax, Leopold von Sacher-Masoch en Markies De Sade – in omgekeerde volgorde uiteraard. Ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan met de gekende voorbeelden als diesel, colbert, sandwich, zeppelin enz.

Een kiekje van een cruijffiaanse beurs

Maar je hebt er ook wel een paar verrassende. Wist je bijvoorbeeld dat het woord ‘beurs’ in de betekenis van ‘handelsplaats’ afgeleid is van de naam van de adellijke familie Van der Beurse. Die familie zou in de vijftiende eeuw in Brugge een herberg gehad hebben nabij de Brugse markt, en zo aan de oorsprong hebben gestaan van de term ‘beurs’ voor ‘handelsplaats’, niet alleen in het Nederlands, maar ook in andere Europese talen.

Een andere onverwachte term in de lijst is ‘kiekje’. Deze andere benaming voor ‘fotootje’ zou afgeleid zijn van de Leidse fotograaf Israël Kiek (1811-1899). De man had vanaf 1858 in Leiden een fotozaak, en stond gekend om zijn foto’s van Leidse studentengroepen. Zo’n groep dronken studenten fotograferen bij nacht en ontij was geen sinecure, en dus waren de foto’s niet altijd even scherp en gaven ze de indruk inderhaast gemaakt te zijn: een kiekje.

Dat laatste voorbeeld is wel speciaal, omdat het in de lijst een van de weinige woorden is die enkel in het Nederlands voorkomen. Eponiemen hebben immers de neiging om in verschillende talen overgenomen te worden. Het zijn dus vaak ook leenwoorden – behalve het eerder vermelde beurs, is de term heel vaak ontstaan in een andere taal.

Een hele interessante term, ook specifiek voor het Nederlands die ik jullie niet wil onthouden is ‘cruijffiaans’, officieel opgenomen in Van Dale sedert april 2018. Van Dale geeft volgende omschrijving: “zoals van, eigen aan de Nederlandse voetballer en trainer Johan Cruijff (1947-2016) – cruijffiaans taalgebruik: raadselachtige, diepzinnig aandoende uitspraken die niet altijd de regels van de logica lijken te volgen”. Toen ik dit las, schoot me meteen volgende uitspraak te binnen: “Ieder nadeel heb ze voordeel”(sic). Maar ik vond nog een paar pareltjes van cruijffiaanse uitspraken, waar ik graag nog een kenmerk aan toevoeg, namelijk dat ze taalkundig ook niet altijd vlekkeloos zijn:

“Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet.”

“Als je ergens niet bent, ben je of te vroeg, of te laat.”

“Als wij de bal hebben, kunnen hun niet scoren.”

“Mensen moeten harder gaan rijden. Dan zijn ze sneller van de weg, dus zijn er minder files.”

 

 

 

* Waarom zijn Kelvin, Celsius en Fahrenheit met hoofdletter, en de andere woorden niet? Wel, die drie zijn strikt gezien geen wetenschappelijke eenheden, maar toevoegingen aan de eenheid ‘graad’ die we gebruiken om de temperatuur weer te geven. De toevoeging Kelvin, Celsius of Fahrenheit moet aangeven volgens welke gradenschaal we werken, maar de eenheid hier is graad. Alle andere woorden in het lijstje zijn eenheden, rechtstreeks afgeleid van de naam van een wetenschapper, vaak diegene die ze definieerde.

·         joule: eenheid van energie, eenheid van elektrische arbeid, eenheid van energiewaarde van levensmiddelen (i.p.v. calorie)

·         watt: vermogen

·         newton: kracht

·         hertz: eenheid waarin het aantal trillingen per seconde wordt uitgedrukt, m.n. van radio- of geluidsgolven

·         farad: elektrische capaciteit (lading van 1 coulomb per volt)

·         coulomb: hoeveelheid elektrische lading die verplaatst wordt bij een stroomsterkte van 1 ampère

·         volt: elektrische spanning

·         ampère: elektrische stroomsterkte

·         ohm: elektrische weerstand

·         tesla: magnetische inductie

·         decibel: bij geluid – de verhouding tussen omvang (hardheid) en hoogte (intensiteit); i.v.m. glasvezels – het vermogen om licht te bewaren

·         pascal: druk – 1 pascal is 1 newton per m²

vrijdag 11 september 2020

Een jarenlange liefde: het Franse chanson.


Je vous parle d’un temps

Que les moins de vingt ans

Ne peuvent pas connaître 

            Charles Aznavour, ʺLa Bohèmeʺ

 

Als vertaler Frans is het haast vanzelfsprekend dat ik een groot liefhebber ben van het Franse chanson. Ik ben ook geboren in de vroege jaren zestig, en heb dus de periode meegemaakt waarin dat Franse chanson ook in Vlaanderen op heel wat bijval kon rekenen. Het is nu wel anders, en daar verliezen we toch wel wat mee, want ook nu nog komt er in de Franstalige wereld wel af en toe een nieuwe ster op.

Ik had dan ook aan mijn vrienden BNI-leden gevraagd om eens hun top 3 van het Franse chanson op te maken. Ik gaf meteen mijn persoonlijke top 3 op:

“La Bohème” – Charles Aznavour

“Ne me quitte pas” – Jacques Brel

ʺLe Sudʺ - Nino Ferrer

Nu is hier wel een klein probleempje mee: mijn top drie bestaat immers voornamelijk uit oude nummers: “La Bohème” is van 1965, “Ne me quitte pas” is van 1959 en “Le Sud” is het jongste lied in dit gezelschap. Het nummer werd in 1975 uitgebracht. Zijn er dan geen jonge Franse artiesten die het vermelden waard zijn? Jazeker, alleen is het wat moeilijker om ze te leren kennen als Vlaming, omdat er bijlange na niet meer zoveel aandacht is voor het Franstalige lied op onze Vlaamse radiozenders als in de jaren zestig en zeventig.

Even tussen haakjes, een verrassend weetje: Nino Ferrer, de man van “Le Sud”, is dezelfde artiest die het humoristische nummer “Le Téléfon” uitbracht – u weet wel het nummer van : “Gaston y a l’téléfon qui son”. Ik kan moeilijk twee nummers van dezelfde artiest bedenken die verder uit elkaar liggen dan deze twee.

Maar, revenons à nos moutons: ik ben de laatste jaren vooral fan van Zaz, de alias van de Française Isabelle Geffroy, die in Vlaanderen een bescheiden hit had met “Je veux”, intussen ook al 10 jaar geleden. Ze heeft nog zoveel andere goede nummers, waar je in Vlaanderen haast nooit iets over hoort. Prachtig van haar vind ik o.a. “Si jamais j’oublie”. Een nummer dat echt past in de traditie van het Franse chanson, zowel muzikaal als qua tekst.

En als je het over recente(re) Franstalige artiesten wilt hebben, dan moet je zeker onze eigen Stromae vermelden (“Formidable”, “Papaoutai”, “Ta fête”). Jammer dat het wat stil is geworden rond deze man, want dit was echt een verfrissend talent, waar ook in Vlaanderen heel wat aandacht voor was. Zijn echte naam: Paul Van Haver (Etterbeek, °1985).

Nog uit eigen land: Angèle. Deze jongedame (Ukkel, °1995) bracht in 2018 haar eerste album uit, en het was meteen raak, ook in Vlaanderen. Een speciale vermelding voor de nummers “Balance ton quoi” en “Je veux tes yeux”. Van haar verwacht ik de komende jaren nog heel veel moois.

Een andere jonge artieste waar ik graag aandacht voor wil vragen, is de Canadese Cœur de Pirate, in het gewone leven Béatrice Martin. Ook zij had in Vlaanderen een bescheiden hit met het in 2011 uitgebrachte “Adieu”, maar deze jongedame (°1989) is echt een uitzonderlijk talent, die ook al de muziek mocht maken voor de TV-reeks “Trauma”. Wie op Spotify zit, moet maar eens de afspeellijst “This is Cœur de Pirate” afspelen; daar zitten enkele pareltjes in, en haar Canadese accent is soms aandoenlijk.

Wie dit leest en graag aandacht wil voor een bepaalde jonge Franstalige artiest, aarzel niet om het te delen op de facebookpagina van Charon:

(https://www.facebook.com/CharonTranslationConsultancy).

Er is zoveel dat je kunt schrijven over het Franse chanson, en er zijn zoveel artiesten die een vermelding verdienen. Dat is het nadeel van een top 3: kiezen is verliezen. Achteraf vind je het altijd jammer dat je deze of gene artiest niet hebt opgenomen. Als je enkel Aznavour of Brel neemt: die hebben nog zoveel mooie nummers uitgebracht, die in die top 3 van mij niet misstaan zouden hebben. Maar ik wil vooral graag een eervolle vermelding geven aan enkele misschien minder bekende nummers of artiesten.

Op één zet ik dan Bourvil met “Un clair de lune à Maubeuge”. Nu is Bourvil zelfs voor de jongere generatie niet helemaal onbekend, maar dan als acteur. Hij is namelijk de tegenspeler van Louis de Funès in “La Grande Vadrouille”, nog altijd een van de meest succesvolle films in de Franse filmgeschiedenis. Maar Bourvil was ook chansonnier, en ik wil de lezer graag oproepen om eens kennis te maken met “Un clair de lune à Maubeuge”, vooral tekstueel een pareltje.

Een tweede nummer dat ik hier wil vermelden, eveneens met een humoristische tekst, is “Il” van Les Négresses Vertes. Het nummer brengt het trieste verhaal van een verlopen figuur die “drinkt om te vergeten dat hij leeft, en slaapt om te vergeten dat hij drinkt”.

Il boit pour oublier qu’il vit

Il dort pour oublier qu’il boit  

En tot slot – maar kiezen is ook hier verliezen – kom ik graag uit bij Gilbert Bécaud, die we natuurlijk allemaal wel kennen van “Nathalie”, “Et maintenant”, “L’important c’est la rose”... Maar ik heb het ook heel hard voor zijn nummer “Quand il est mort le poète”. Een niemendalletje over het verscheiden van een dichter, maar o zo mooi.

 

Andere (heel) eervolle vermeldingen:

“Mourir d’aimer” – Charles Aznavour

“Et si tu n’existais pas” – Joe Dassin

ʺDernière danseʺ - Indila

ʺLe vent nous porteraʺ - Noir Désir

ʺLa chanson des vieux amantsʺ - Jacques Brel

ʺPort cotonʺ -Zaz

ʺ(Il est 5 Heures) Paris s’éveilleʺ - Jacques Dutronc of An Pierlé (beide versies vind ik mekaar waard)

ʺElle était si jolieʺ - Alain Barrière

ʺLa tribu de Danaʺ - Manau