donderdag 23 juli 2020

Over juridische taal.


Het motto van de jurist:
"Voor zover manifestaties van functionele tekortkomingen door alle betrokken partijen als onwaarschijnlijk worden beschouwd, en dit zo is bepaald, is het aan de eerder genoemde partijen om uitstel van anderzijds relevante onderhoudsprocedures uit te oefenen.
Met andere woorden, als het niet kapot is, repareer het dan niet. "- Anoniem
Vertaald uit “35 funny and inspirational lawyer quotes” op www.holidappy.com

Ik heb de stellige indruk dat veel van mijn collega-vertalers hun neus ophalen voor twee specifieke soorten vertalingen. De eerste is de technische vertaling, en de tweede is de juridische vertaling. In beide gevallen kan ik de aversie best wel begrijpen. Een technische vertaling is nooit evident, omdat de vertaler ook wel wat inzicht moet hebben in het onderwerp, en we hebben nu eenmaal gestudeerd voor vertaler, niet voor ingenieur. Mijn professionele ervaring geeft me hierbij wel een zeker voordeel, maar daarover later misschien eens wat meer.

136 woorden in één zin
Bij de juridische vertaling – in wezen eigenlijk ook een ‘technische’ vertaling - liggen de zaken enigszins anders. Je hebt hier niet alleen het specifieke jargon, maar krijgt ook nog eens af te rekenen met een vaak totaal van de pot gerukte zinsbouw. Zo’n juridische tekst is daardoor vaak voor de leek totaal onleesbaar, en de inhoud gaat verloren in de vele bijzinnen, zijsprongen, opsommingen van belanghebbenden en weet ik veel wat meer. Een heel mooi voorbeeld geef ik graag hieronder, uit een contract dat ik onlangs diende te vertalen uit het Engels.  

Voor zover de serviceprovider en/of zijn directeuren, medewerkers, agenten, consultants, onderaannemers of gelieerde ondernemingen toegang hebben tot deze informatie en gegevens, verklaart en garandeert de serviceprovider dat hij en zijn consultants, onderaannemers en gelieerde ondernemingen gedurende de looptijd van dit contract toereikende administratieve, technische en fysieke beveiligingen heeft en zal aanhouden om de veiligheid en vertrouwelijkheid te waarborgen van informatie van de Eigenaar en XXXX (inclusief persoonsgegevens zoals hieronder gedefinieerd en de vertrouwelijke informatie van de Eigenaar en XXXX) en andere gegevens en informatie met betrekking tot XXXX, de Eigenaar en / of klanten van de Eigenaar, om zichzelf te beschermen tegen bedreigingen of te voorziene gevaren voor de integriteit van dergelijke informatie en gegevens (inclusief onbedoelde vernietiging), en zich te beschermen tegen ongeoorloofde toegang of gebruik van dergelijke informatie en gegevens.

U leest het goed (als u hiertoe de moed kon opbrengen): dit is één enkele zin, uitgesmeerd over iets meer dan twaalf regels, en ze bevat zomaar eventjes 134 woorden – in de lagere school is dat de lengte van een opstel. Het contract waar ik het over heb, bevatte tal van dergelijke zinnen, en was 45 bladzijden lang. Een echte vertaaluitdaging, want je moet oppassen dat je de betekenis behoudt, en dat je zin aan het einde van regel twaalf-en-nog-wat nog op haar pootjes staat. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van zo’n uitdaging, en heb de vertaling met veel plezier gedaan.

Begrijpelijk
Even terzijde: ik onderwierp mijn Nederlandse zin aan de schrijfassistent van De Standaard (www.schrijfassistent.standaard.be), en die zag er nauwelijks graten in. Er waren enkel opmerkingen over het gebruik van ‘waarborgen’ en ‘met betrekking tot’. ‘Waarborgen’ werd aangemerkt als Belgisch, en te formeel, maar in Van Dale Online zien ze dat niet zo. ‘Met betrekking tot’ is te formeel, maar goed: een contract is natuurlijk wel een formele tekst en – ik pleit schuldig - het is een van die uitdrukkingen die ik moeilijk uit mijn schrijfstijl krijg. Taalkundig is er met de zin dus niets mis - nou ja -, maar petje af voor wie ze bij de eerste lezing al had begrepen.
Het probleem met zo’n juridische tekst is dat er een behoorlijk risico schuilt in het leesbaarder maken van je vertaling. Waar je anders al vlug geneigd bent om zo’n zin in je vertaling op te splitsen in twee, drie of zelfs meer zinnen, moet je met zo’n juridische tekst toch wel een beetje (heel erg) oppassen. Vaak heeft ieder woord, iedere komma een specifiek belang, en kan het weglaten van het een of het ander zware juridische gevolgen hebben.
Vandaar dat mijn vertaling dus net als het origineel één enkele zin is. Al heeft het Engelse origineel (zie hieronder) wel het voordeel dat ze een ietsje korter is, 125 woorden en tien en een halve regel, maar dat heb je met het Engels: in negen van de tien gevallen is de Engelse versie van een tekst korter dan de Nederlandse. Eens je aan 125 woorden zit, maakt het ook niet zo veel meer uit, nog een tiental woorden erbij. Waar het op neer komt, is dat de originele zin al een draak is, een gedrocht waar een hond zijn jongen niet in terugvindt. Je vraagt je dan af of het eigenlijk wel de bedoeling is dat de zin begrijpelijk is voor de leek…

Taaltips voor juristen
Op taaluniversum.org vond ik de weerslag van een colloquium over ‘Begrijpelijke rechtstaal’ dat de KU Leuven in 2016 inrichtte, in samenwerking met o.a. de Taalunie.  Ik raad het iedereen aan die wel eens een juridische tekst moet schrijven, of het nu gaat om procedurele stukken (u weet wel: dagvaarding, verzoekschrift, conclusie, vonnis, arrest), of om een contract, algemene voorwaarden, juridisch advies (teksten die vaak niet voor juristen bestemd zijn). Je krijgt er een hoop nuttige tips om je tekst leesbaarder en begrijpelijker te maken.
En voor de vertaler? Op het colloquium was hiervoor blijkbaar geen aandacht. Maar het begint natuurlijk bij de opsteller van de originele tekst. Als vertaler van een juridische tekst moet ik zo dicht mogelijk bij het origineel blijven, en als dat origineel een draak van een zin is, dan moet ik hierin wel volgen, wil ik niet ingrijpen in de juridische waarde en betekenis van de tekst. Hoe noemen ze dat ook alweer? Dansen op het slappe koord…


Het Engelse origineel:
To the extent Supplier and/or its officers, employees, agents, consultants, subcontractors or Affiliates have access to such information and records, Supplier represents and warrants that, for the term of this Agreement, it has and will continue to have and its consultants, subcontractors and Affiliates have and will continue to have, adequate administrative, technical, and physical safeguards in place to ensure the security and confidentiality of Owner and XXXX’s information (including Personal Data as defined below and Owner and XXXX’s Confidential Information) and other records and information relating to XXXX, Owner and/or Owner’s clients, to protect against anticipated threats or hazards to the integrity of such information and records (including accidental destruction), and to protect against the unauthorized access or use of such information and records.



woensdag 1 juli 2020

Meneer de President, slaap zacht.




Ieder jaar zijn er wel een aantal landen die presidentsverkiezingen houden - wat ook niet verwonderlijk is, want de republiek is intussen de meest voorkomende staatsvorm in de wereld. Wanneer ze dat in de VS doen, zoals dit jaar in november, dan kijkt echt de hele wereld mee. Maar, waar komt het woord vandaan, wat betekent het eigenlijk en wie kwam er op het idee om het te gebruiken om het staatshoofd mee aan te duiden?

Meneer de voorzitter
Een eerste belangrijke constatering is dat ze het woord in zowat alle westerse talen gebruiken, meest in de betekenis van leider of leidster van een vergadering, bedrijf, vereniging of rechtbank, maar vooral van een land.  Maar de notie van leider/leidster is eigenlijk etymologisch niet helemaal correct. Het woord is afgeleid van het Latijn ‘praesidere’, voorzitten. In het Frans bestaat trouwens ook het werkwoord ‘présider’, dat precies dezelfde betekenis heeft. Een ‘praesidens’ is dus in oorsprong iemand die een vergadering of een raad voorzit, wat nog niet hetzelfde is als de organisatie leiden. Zie maar naar onze kamer en senaat* : die hebben allebei een voorzitter (in het Frans een Président/e) en, toegegeven, die man of vrouw heeft ook de leiding als het aankomt op het aansturen van de vergadering van die organen. Het is een functie met belangrijke verantwoordelijkheden, dat wel, maar niet te vergelijken met die van staatshoofd. Ook in bedrijven en organisaties is de voorzitter veelal iemand die een raad van bestuur voorzit, maar niet degene die belast is met de dagelijkse leiding van de organisatie.

Mister President
De president als staatshoofd, als leider van een land, is eigenlijk een redelijk recent verschijnsel. Een president staat namelijk aan het hoofd van een republiek. Dat is een staatsvorm die al ver teruggaat in de tijd. Denk maar aan o.a. de Romeinse republiek, de republieken Venetië, Genua, Firenze, Siena, Novgorod, de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (Nederland) en het kortstondige avontuur met het Engelse Gemenebest (1649-1660). Geen van deze voorbeelden had echter een President, zie het lijstje onderaan. De eerste President-staatshoofd lijkt die van de VS te zijn geweest, toen dat land in 1776 zijn onafhankelijkheid van Groot-Brittannië bevocht. George Washington was dus misschien wel de eerste ‘president’ (van 1789 tot 1797) in de geschiedenis wiens taakomschrijving wat uitgebreider was dan het voorzitten van een vergadering. Na de VS was het hek van de dam, haast overal waar nieuwe staten werden opgericht, kozen ze voor een republiek, onder leiding van een president, behalve in Europa dan.

Monsieur le Président
Frankrijk werd na zijn revolutie van 1789 wel een republiek, maar het duurde een tijdje voor ze daar met een president gingen werken. Aanvankelijk hielden ze het bij een orgaan van vijf raadsleden, het ‘Directoire’. Napoleon introduceerde in 1799 na een staatsgreep de titel van ‘eerste consul’ (en dat was natuurlijk hijzelf). Vervolgens werd Frankrijk een keizerrijk, dan weer een monarchie, en vanaf 1848 voor de tweede keer een republiek, nu voor het eerst ook met een ‘Président’ aan het hoofd van de staat. Dat was Louis-Napoléon Bonaparte, die president zou zijn van 1848 tot 1852… om zich dan in navolging van zijn beroemde oom uit te roepen tot keizer Napoleon III (laat u niet misleiden: er is nooit een Napoleon II geweest – het nummer II werd overgeslagen uit respect voor de zoon van Napoleon I, die nooit de kans kreeg om in de voetsporen van zijn pa te treden). Volgt u nog?
Het is pas vanaf de Derde Republiek (1870-1940) dat Frankrijk kan spreken van een vrijwel onafgebroken opeenvolging van presidenten. Tijdens WO II werd de Republiek even onderbroken door het Vichy-regime en later doordat het volledige land door de Duitsers werd overgenomen, maar daarna gingen ze verder met een Vierde (1946-1958) en Vijfde Republiek (1958 – heden), geleid door een Président.

Republieken in de meerderheid
Over het algemeen leken ze in Europa gedurende de negentiende eeuw nog een (on)gezonde afkeer te hebben van de republikeinse staatsvorm, en veel presidenten kwamen er dus niet bij op het oude continent: Nederland was na 1815 niet langer een republiek, maar werd een koninkrijk. Toen België onafhankelijk werd, in 1830, kozen ze – mede onder druk van de Europese grootmachten – voor een monarchie als staatsvorm, en ook de opeenvolgende nieuwe staten die in Europa ontstonden werden haast zonder uitzondering monarchieën: Italië, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, de Balkanstaten…
Intussen telt de wereld – ook Europa - meer republieken dan monarchieën, ook al wil dat dan weer niet altijd zeggen dat de president overal dezelfde bevoegdheden heeft. In de VS, Brazilië, Rusland en China is de President bijvoorbeeld politiek de hoogste leider van het land, met een grote machtsconcentratie in zijn ‘nederige’ persoontje. Maar in landen als Duitsland, Italië en Israël heeft de President meer een ceremoniële titel, en ligt het effectieve bestuur in handen van de Eerste Minister.
Presidenten zijn, jammer genoeg, ook nog bijlange na niet altijd verkozen door het volk of zijn vertegenwoordigers – en dan spreken we meestal over een dictatuur. Noord-Korea spant de kroon: hier is de titel van president zelfs een familiezaak geworden, iets wat ze van vader op zoon doorgeven – een echte dynastie dus, zoals bij monarchieën het geval is.

En België? Dat is dus een parlementaire monarchie en over wie er nu eigenlijk de leiding heeft in dit land, wel daar kunnen we nog wel een tijdje over doorgaan. Een eenduidige conclusie bereiken zal echter niet eenvoudig zijn…

* momenteel (juni 2020) wordt de Belgische Senaat voorgezeten door Sabine Laruelle (MR), en de Kamer van Volksvertegenwoordigers door Patrick Dewael(VLD). Het Vlaamse Parlement heeft als voorzitter Liesbeth Homans (N-VA), en in het Waalse Parlement is dat Jean-Claude Marcourt (PS). Flink wat presidenten dus, in België, maar het land wordt niet door hen geleid. Wel is de regeringsleider van de deelregeringen een Minister-President, maar de leider van het land is wel degelijk een Eerste Minister, en het staatshoofd, dat is nog altijd een koning.

____________________________

Staatshoofden van de ‘oude’ republieken
Romeinse Republiek (van ca. 500 v.Chr. tot 27 v.Chr): Consul
Venetië (726-1797): Doge
Genua (1136-1476): Consul
Firenze (1115-1531): Gonfaloniere (delle giustizia), ofwel Vaandeldrager (van de Gerechtigheid)
Siena (1125-1555): Consul
Novgorod (1136-1476): Aartsbisschop
De Zeven Provinciën (Nederland – 1588-1795): Stadhouder
Engelse Gemenebest (1649-1660): Lord Protector

____________________________


Wereldkaart van de Monarchieën en republieken op heden – Grijze landen : republiek, gekleurde landen zijn een of andere vorm van monarchie (Copyright Washington Post)



woensdag 24 juni 2020

Betekenis en oorsprong van het woord 'freelancer'



"The freelance writer is a man who is paid per piece or per word or perhaps" - Robert Benchley


Ik doe al meer dan dertig jaar werk als freelance-vertaler en sedert een paar jaar is het ook mijn enige hoofdberoep. Maar… wat betekent dat nou, freelancer? Ik wou hier wel eens het fijne van weten.

Van Dale beetje wazig

Af en toe kan ik me echt ergeren aan Van Dale, en bij de uitleg voor ‘freelancer’ is het weer van dat:

Freelancer : iem. die op freelancebasis werkt.

Wat heb je daar nou aan als uitleg? Om hem te snappen, moet je dus naar het lemma ‘freelance’, waar je dan volgende uitleg krijgt:

Freelance : zonder een vast dienstverband werkend

Dat is al wat duidelijker, maar ik ga niet akkoord, want een interimaris werkt ook niet in vast dienstverband en is toch geen freelancer. Een essentieel onderdeel van het freelancer-zijn, is namelijk dat je dat werk verricht op zelfstandige basis. Je bent eigenlijk onderaannemer, met dat verschil dat jij verder geen personeel hebt, maar alle taken van de opdracht zelf uitvoert.
Het helpt natuurlijk niet dat er in België blijkbaar nog geen wettelijke definitie is voor ‘freelancer’, dus voor de Belgische wetgever bestaan freelancers eigenlijk nog niet. Je kunt wel zelfstandige zijn met een eenmanszaak, maar niet iedere zelfstandige met een eenmanszaak is een freelancer. Je kunt er als winkelier immers voor kiezen om je activiteit uit te oefenen als een eenmanszaak – al dan niet met personeel.
En niet iedere freelancer kiest ervoor om zijn activiteit uit te oefenen onder de vorm van een eenmanszaak – al zal dat allicht wel de meest voorkomende vorm zijn onder freelancers. De rechtsvorm waaronder je werkt, bepaalt dus ook al niet of je al dan niet freelancer bent.

Alternatieve definities

Maar goed, intussen heb ik nog altijd geen sluitende definitie. Googelen dan maar, en zo kom ik terecht bij juridischwoordenboek.be:

Freelancer verbintenissenrecht – kleine zelfstandige ondernemer die in opdracht diensten verleent.

Kijk, hier heb ik niet veel meer tegen in te brengen, behalve misschien wat het adjectief ‘klein’ hier in godsnaam komt zoeken – ik ben ook freelancer en ik ben jandorie 1 m 83 groot. Nee, alle gekheid op een stokje: ‘klein’ heeft hier niets te zoeken, ook niet in overdrachtelijke zin. Beter ware geweest te vermelden dat de freelancer iemand is die zonder personeel werkt voor het uitvoeren van die opdrachten. Mijn persoonlijke definitie ziet er dan uit als volgt:

Freelancer : zelfstandige ondernemer zonder personeel die in opdracht diensten verleent.

Maar, waar komt de term ‘freelancer’ eigenlijk vandaan?

Huurling

Even een open deur intrappen: het is uiteraard Engels, en letterlijk vertaald betekent het ‘vrije lansier’. Nu denkt u misschien dat het woord zijn oorsprong heeft in de Middeleeuwen, aangezien een lansier een ruiter is met lans, een type wapen dat men pleegt te associëren met die periode. Wel: ja en nee. De term verwijst inderdaad naar een Middeleeuwse huursoldaat, maar duikt pas op in 1820 - onder de vorm ‘free-lance’, dus met koppelteken -, namelijk in de roman ‘Ivanhoe’ van Sir Walter Scott (1771-1832). Hierin is Van Dale wél duidelijk, en overigens niet de enige bron.
Een freelancer of vrije lansier is dus in het werk van Scott eigenlijk een huurling, die zijn lans in dienst stelt van wie hem daarvoor wil betalen. Nog steeds volgens Van Dale zou de term in de jaren na 1950 stilaan ingang vinden in de betekenis zoals we hem nu algemeen gebruiken.

Verschil in het Engels

Als je het woord opzoekt in Engels woordenboeken, dan zie je nog een subtielere evolutie in de betekenis van het woord. Mijn oude Longman* uit 1978 plaatst de freelancer nog hoofdzakelijk als schrijver/journalist in de krantenwereld. De hedendaagse, online versie van Longman (www.ldoceonline.com) maakt dit onderscheid niet meer: daar is een freelance of freelancer iemand “working independently for different companies rather than being employed by one particular company”. Ook andere online woordenboeken, zoals Cambridge, Oxford of Collins hebben in eerste instantie de verwijzing naar de krantenwereld weggelaten, maar in hun voorbeelden hebben ze het wel telkens weer voornamelijk over journalisten, schrijvers of fotografen voor dagbladen. Je krijgt dus toch de indruk dat ze in de Engelstalige wereld de term nog hoofdzakelijk in die context gebruiken.

In de Nederlandstalige wereld kan ieder beroep freelancer zijn, en dat is ook bij onze Franse buren zo – al zijn ze er daar blijkbaar nog niet uit of ze nu al dan niet een koppelteken willen zetten tussen ‘free’ en ‘lance’.

Freelancer, maar geen vrijbuiter

Maar goed: we kunnen dus besluiten dat een freelancer een zelfstandige is die zijn diensten verleent aan verschillende opdrachtgevers, zonder dat daarbij een relatie baas-werknemer ontstaat. Dat laatste is voor veel van die freelancers heel belangrijk, ook voor mij. Het is het besef dat je zelfstandig je werk regelt, en zelf beslist voor wie je wel en voor wie je niet wil werken. Dat is een vrijheid die je als werknemer nooit in dezelfde mate kunt bereiken, ook al is die vrijheid dan weer niet absoluut. 
Uiteindelijk blijf je in een verhouding opdrachtgever/uitvoerder zitten. Zelfs de freelancer vertrekt nog altijd vanuit de premisse dat hij zijn opdrachtgever wil tevreden stellen met het geleverde werk. Ook voor de opdrachtgever een niet onbelangrijk voordeel: waar het nogal eens lastig en duur kan zijn om een onderpresterende werknemer te ontslaan, is dat met een freelancer waar je niet tevreden over bent een stuk eenvoudiger. Het mes – of de lanspunt, zo u wilt – snijdt dus ook hier weer aan twee kanten…



* Longman dictionary of contemporary English – Longman Group Ltd. – UK 1978

vrijdag 12 juni 2020

Racistisch taalgebruik?




Er is dezer dagen nogal wat te doen rond racisme, niet enkel in de VS maar ook in onze contreien. In de marge hiervan kwam ook weer de discussie rond racistisch taalgebruik bovendrijven. Wie niet als een racistische zak wil overkomen, gebruikt al een tijdje niet meer het n-woord, maar spreekt van een ‘zwarte’ (medemens). Kijk, we zijn zelfs al zo ver gevorderd dat ik dat n-woord liever niet meer voluit schrijf. Maar is ‘zwarte’ dan zoveel beter?

Wit – bruin - zwart

Er gaan momenteel ook stemmen op om ‘blank’ te vervangen door ‘wit’, omdat blank teveel een connotatie zou hebben van reinheid en puurheid. Wat het dan weer te zeer zou doen contrasteren met ‘zwart’. Zwart zou namelijk de kleur zijn van wat vuil en onrein is. Een interessante opinie van journalist Tim Pauwels hierover kun je lezen in de blog van de vrt.
Tim Pauwels schrijft o.a. “(…) dat bij ‘wit’ óók positieve connotaties ‘gevoeld’ kunnen worden: maagdelijk wit, een witte bruidsjurk, zuiverheid en ‘wit geld’ tegenover ‘zwart geld’ “. Ik moet hem gelijk geven. Trouwens, als we het toch over kleuren moeten hebben. Als  je vindt dat ‘wit’ en ‘zwart’ neutraal zijn, wat doe je dan met ‘bruin’? Als iemand het in onze streken heeft over ‘een bruine’, dan heeft hij het met een zondermeer racistische bijbedoeling over een Noord-Afrikaan. Dus, dan zou ‘wit’ en ‘zwart’ niet racistisch zijn, maar ‘bruin’ wel? Zo wordt het wel heel moeilijk.
De aanduiding met een kleur heeft trouwens niets met de werkelijkheid te maken. Een autochtone Europeaan is immers net zo min wit als een Chinees geel is, of een autochtone Amerikaan rood. En onder de Afrikanen heb je ook allerlei schakeringen van licht- tot donkerbruin en zelfs vrijwel zwart. Romelu Lukaku is een flink stuk donkerder dan Vincent Kompany, en toch zijn beiden ‘zwarten’.

Die rosse van hiernaast

Het eigenlijke probleem is niet het gebruik van wit, bruin of zwart, waar het eigenlijk om gaat is dit: wat bezielt ons mensen eigenlijk om anderen te determineren op basis van uiterlijke kenmerken? We doen het niet enkel op basis van huidskleur, maar op basis van zoveel kenmerken, en meestal is het in de grond niet erg netjes. Ga maar na: als je het over een ‘blondine’ hebt, dan interpreteren de meesten daarbij dat het gaat om een knappe vrouw. Maar een ‘rosse’, dat is dan weer wat anders. Als iemand een grote neus heeft, dan zal die persoon ook zo beschreven worden, wanneer mensen naar hem of haar verwijzen. Wie zwaarlijvig is, wordt ‘die dikke’, wie kaal is een ‘kletskop’, wie groot en mager is een ‘bonenstaak’, enz. Vergeleken hierbij is ‘blank’, ‘zwart’ en ‘bruin’ nog braafjes.
We kunnen het niet laten: we determineren onze medemensen aan de hand van uiterlijke kenmerken, en heel vaak niet op een erg flatterende manier. Het gebruik van uiterlijke kenmerken om iemand te beschrijven, valt misschien nog te begrijpen. Je beschikt immers maar over een beperkt aantal mogelijkheden om een beeld van iemand te schetsen, en dan grijp je gemakkelijkheidshalve terug naar de meest opvallende kenmerken. Het is wanneer de gebruikte terminologie een pejoratieve bijklank krijgt, dat het problematisch wordt. Dus is ‘ros’, ‘dikzak’, ‘bonenstaak’, ‘kletskop’, ‘haakneus’, ‘flapoor’ inderdaad verwerpelijk – ik kan nog wel een tijdje doorgaan met voorbeelden geven, maar u snapt me wel.
‘Blank’ of ‘wit’ en ‘zwart’ zijn dat duidelijk niet. Die kunt u dus wat mij betreft zonder probleem gebruiken, maar vraag u ook eens af wat het bijbrengt aan uw beschrijving van de persoon in kwestie. Is het belangrijkste kenmerk van Lukaku, Kompany of Charlotte Adigéry – om er maar enkele te noemen – dat ze zwart zijn? Als je Charlotte Adigéry opzoekt op Wikipedia, dan is de eerste zin:
“Charlotte Adigéry (Narbonne, 6 augustus 1990)[1] is een Belgische muzikant en zangeres met Caraïbische roots uit Martinique en Guadeloupe.” Had hier nu nog moeten bijstaan dat ze zwart is? Nee toch?

Lukaku en Kompany zijn erom gekend dat ze steengoede voetballers zijn, Charlotte Adigéry omdat ze muzikante en zangeres is. Laat het ons daarbij houden. Hun huidskleur is inderdaad ook een van hun uiterlijke kenmerken, maar heeft verder eigenlijk niets te maken met de reden waarom deze mensen bekend zijn. Net zo min als de flinke boezem van Dolly Parton iets te maken heeft met haar kwaliteiten als zangeres, of de zwaarlijvigheid van Maggy De Block met haar competenties als politica. Het werkt trouwens ook in de andere richting: mijn vader zaliger vond Trump er een heel nette mens uitzien, en dacht daarom dat hij wel een goede president van de VS kon worden. Is dat even anders uitgedraaid!

Laat ons gewoon ophouden om mensen te determineren aan de hand van uiterlijke kenmerken, of die nu raciaal getint zijn of niet. Dan hoeven we niet meer zo vaak ‘aangenaam verrast’ of ‘diep ontgoocheld’ te zijn over iemand.




Waarom schrijf je in het Nederlands overigens ‘fascistisch’ met sc en ‘racistisch’ enkel met c?

Fascistisch is afgeleid van het Italiaanse ‘fasci di combattimento’, terwijl racistisch is afgeleid van het Frans voor ras : ‘race’. Overigens spreek je beide klanken ook anders uit. De sc in fascistisch spreek je uit als de ‘sh’* in shop, de c in racistisch spreek je uit als de ‘s’ in sopraan.

* Van Dale online erkent voor ‘fascistisch’ ook de uitspraak met scherpe ‘s’ (fasistis), maar naar mijn mening spreekt niemand in ons taalgebied het nog zo uit.

maandag 1 juni 2020

Over schommels en dialecten




“Het dialect is een taal die haar jas uitdoet, in haar handen spuugt en aan het werk gaat.” 
Vrij naar Carl Sandburg

Ik ben afkomstig van Wervik, bracht een deel van mijn jeugd door in Ronse, maar woonde in Wervik vanaf mijn negende tot ik het huis verliet. Wel gingen we in het nabijgelegen Menen naar school. Menen en Wervik zijn buurgemeenten, zoek ze gerust eens op de kaart: de stadscentra liggen hemelsbreed nog geen zes kilometer uit elkaar. En toch haal je een echte Wervikaan er zo uit in een gezelschap Menenaars.

Besmet taaltje
Alhoewel mijn dialect niet echt Werviks te noemen was, was het toch ‘besmet’ met termen en vooral uitspraak waar in Menen om gelachen werd. Zo gooien ze in Menen graag overal een ‘j’ klank tussen, en zeggen ze niet ‘één’, maar ‘jin’, niet ‘twee’, maar ‘twji’. De Menenaars noemen hun eigen stad ook ‘Mjinde’. Wervikanen zijn dan weer gekend om hun zware huig-r, een heel onzuivere o-klank en een vettige ‘sch’, die een beetje klinkt als ‘shk’. En ja hoor: als Wervikaan werd je op school vaak uitgelachen als je de Menense uitspraak niet volgde. Maak u niet ongerust, ik heb er geen trauma’s aan overgehouden, maar het is me wel altijd bijgebleven als iets eigenaardigs onder dialectgebruikers, dat ze elkaar scheef  bekijken omwille van de uitspraak van het dialect, of lachen om het vaak heel eigen woordgebruik.
Ander verhaal: toen ik zo rond mijn eenentwintigste verkering kreeg met een meisje uit Proven, een deelgemeente van Poperinge – het meisje dat wat later mijn vrouw zou worden – bleek ook hier weer een taalbarrière te ontstaan. De eerste keer dat mijn vader haar ontmoet had, kon hij het niet nalaten te grappen dat ik haar toch “dat taaltje zou moeten afleren”. In de loop der jaren is er in de familie dan ook vaak gelachen met de taal van mijn echtgenote, gelukkig altijd zonder enige kwaadwilligheid. Vaak kon mijn vrouw het niet laten om er fijntjes op te wijzen dat dat Werviks nu ook weer niet het mooiste onder de West-Vlaamse dialecten was – en gelijk had ze.

Unieke Vlaamse situatie
Nu weet ik wel dat veel andere talen ook verschillen tussen dialecten kennen, en dat die soms heel groot zijn, maar ik heb toch de indruk dat het in Vlaanderen vaak echt wel de spuigaten uitloopt. Als je in Vlaanderen een Bruggeling en een Gentenaar in hun dialect laat converseren, dan verval je geheid in een Babylonische spraakverwarring, terwijl die steden in vogelvlucht amper 40 km uit elkaar liggen, en zich binnen hetzelfde taalgebied bevinden. Zoiets valt nog enigszins te begrijpen, want we hebben het hier over West- en Oost-Vlaams. Maar dat een West-Vlaamse uit Proven geen zinnige conversatie kan voeren met een oudere Wervikaan (waar gebeurd: mijn vrouw die probeerde een gesprek te hebben met een Wervikse kennis van ons, zonder de hulp van mij of mijn ouders als tolk), dat is echt wel kras.
Ik kan me vergissen, maar ik geloof niet dat je diezelfde taalverwarring op zo korte afstand kunt terugvinden in eender welk ander taalgebied…

Charme
Het maakt onze taal en onze dialecten natuurlijk wel interessant studiemateriaal. Een bezoekje aan de website www.variatielinguistiek.ugent.be leert me bijvoorbeeld dat de Vlaamse dialecten 42 verschillende woorden hebben voor ‘schommel’. Prachtig is dat! Gaande van ‘balançoire’ en ‘jutekakoker’ (vnl. in de Westhoek) over ‘bijs’ (grote delen van Oost-Vlaanderen) tot ‘roets’ (Pajottenland) of ‘toetouter’ (heel lokaal in delen van Antwerpen). Mooi toch?

Nog een paar mooie pareltjes :
Errepel : Provens voor ‘aardappel’
Kadizzen : Provens voor ‘neuken’ (pardon my French)
Veronshameln : Provens voor ‘naar de duivel helpen’
Wettelingen : Provens voor ‘wortels’ (wat hebben mijn ouders hier een pret om gehad, vraag me niet waarom)
Astrabanche (uitgesproken met zware huig-r) : Werviks voor ‘heisa’
Kaberdoeshtshe (vergeet de huig-r niet) : Werviks voor ‘huis van lichte zeden’, zeg maar ‘bordeel’

zondag 24 mei 2020

Het grote belang van kleine spelfouten



“Anyone who can only think of one way to spell a word obviously lacks imagination.” - Mark Twain

Stel: je bent op zoek naar een nieuwe leverancier voor één van je belangrijkste grondstoffen. Je hebt een preselectie van een aantal kandidaten gedaan, en nu ga je even hun websites bekijken, om een idee te krijgen van deze kandidaten. Bij een van die kandidaten tref je op hun homepage meteen al in de derde zin een knoert van een dt-fout. Zo een in de trant van “Ons bedrijf leverd altijd stipt op tijd.” Nu is mijn vraag: beïnvloedt dit je oordeel over dit bedrijf als toekomstige partner?
Wat mezelf betreft, moet ik hier in eerste instantie volmondig “ja” op antwoorden. Maar ik ben natuurlijk dagelijks met taal aan de slag, en het is onderdeel van mijn jobomschrijving dat ik dergelijke fouten detecteer in een tekst. Vaak heb ik dergelijke teksten echter ook vanuit een andere functie gelezen, want ik was bijna twintig jaar aankoopverantwoordelijke in een metaalverwerkend bedrijf. Ik meen dat het in die functie niet door mijn oversten zou geapprecieerd worden, als ik mijn beoordeling van een potentiële staalleverancier had laten afhangen van de kwaliteit van het Nederlands op zijn website. Belangrijk was in de eerste plaats de prijs en de kwaliteit van het geleverde materiaal, en verder de levertermijn en de dienstverlening.

Spelfouten contraproductief?
Dus, of een leverancier dan ook nog een website in foutloos Nederlands had, kwam helemaal niet te pas bij de beslissing om bij deze of gene aan te kopen. En toch…
Is een zin als “Ons bedrijf leverd altijd stipt op tijd” toch niet een beetje contraproductief als je aan een klant wilt duidelijk maken dat je heel gewetensvol al je verplichtingen nakomt? Ik bedoel maar: als je nog niet eens de moeite doet om de tekst van je website eerst eens grondig na te lezen, en aan de spellingscontrole van Word te onderwerpen – want die haalt de fout er gegarandeerd uit … Wat voor zekerheid heeft de klant dan dat je niet even slordig zullen omspringen met de afgesproken levertermijnen? Of met de kwaliteit van het bestelde materiaal?
Als bedrijf kun je beter het zekere voor het onzekere nemen, en moet je vermijden dat je klant zich zulke bedenkingen gaat maken. De leverancier met website in onberispelijk Nederlands is alvast zeker dat hij beoordeeld zal worden op de zaken die belangrijk zijn: prijs, kwaliteit, levertermijn, dienstverlening. Die met de krakkemikkige taal staat hoe dan ook een streepje achter, van bij het begin van de race, want hij heeft een onprofessionele eerste indruk gemaakt.

Studies
Ik ging even op zoek via het onvolprezen wereldwijde web en vond daar een paar studies met interessante conclusies. Jansen & Jansen1 (geen grap, zie onderaan de tekst) onderzochten voornamelijk sollicitatie-  en sponsorbrieven. Hun eerste conclusie luidt als volgt: ‘Spelfouten in zakelijke brieven hebben een negatieve invloed op de attitude ten aanzien van tekst en zender en op de overtuigingskracht’. Anderzijds leer je uit conclusies 2 en 3 dat voor de waardering van een sollicitant spelfouten in de sollicitatiebrief niet echt een negatieve invloed hebben, terwijl dat voor sponsorbrieven wel het geval is. Hun opmerking dat HR-verantwoordelijken allicht hun vak niet hebben gekozen ‘omdat ze zo graag willen schoolmeesteren, maar omdat ze geïnteresseerd zijn in mensen en hun groeimogelijkheden’ snijdt wel hout.
Toch vraag ik mij af in hoeverre dit klopt. Plaats jezelf eens in de positie van een manager op zoek naar een goede nieuwe medewerker die drie kandidaten heeft, waarvan er één een brief stuurde met drie manifeste spelfouten erin. De andere twee zijn in keurig, foutloos Nederlands geschreven. Dan heeft de foutenkampioen toch meteen al een handicap? Akkoord, het hangt natuurlijk ook af van de functie waarvoor iemand solliciteert, maar uiteindelijk zijn er weinig functies waarbij nauwgezetheid niet van belang is. En een brief met manifeste spelfouten is nu eenmaal geen toonbeeld van nauwgezetheid.

Toch een negatieve invloed?
Ik ben dus eerder geneigd te denken dat, al was het zelfs maar onbewust, een spelfout in een sollicitatiebrief, op de website, in een offerte of een andere zakelijke brief wel degelijk een negatieve invloed heeft. En dan zowel op de waardering van de inhoud van de tekst, als op de waardering van de auteur van de tekst. Tot een dergelijke conclusie komt ook Yvonne Harm in haar scriptie uit 2008². Maar uit die studie blijkt ook dat de zaak wel wat ingewikkelder in elkaar zit. Hoe zeker ben je immers dat diegene die de tekst onder ogen krijgt, ook over voldoende kennis beschikt om spelfouten te detecteren, en geen ‘valse’ fouten gaat aanrekenen? Misschien was je brief wel in foutloos Nederlands geschreven, maar is de persoon die hem onder ogen krijgt ervan overtuigd dat je ‘qualiteit’ hoort te schrijven, en niet ‘kwaliteit’. In zo’n geval kun je alleen maar hopen dat het toch je rijkgevulde CV is dat de doorslag zal geven…

Bottom line: beperk het risico dat je op basis van secundaire redenen een hypotheek legt op je kansen om een bestelling, nieuwe klant of droomjob binnen te halen. Gebruik die spellingcheck in Word, en bij twijfel: voel jezelf niet te goed om eens iets te gaan opzoeken in het woordenboek. Maar vooral, laat je teksten nalezen! Desnoods door een externe revisor, iemand met een frisse, onbevooroordeelde  kijk op je tekst. Je kunt beter een zaak verliezen omwille van sterkere concurrentie, dan niet eens de kans krijgen om je zaak te gaan verdedigen omwille van een dt-fout …


1 ‘Fatale spelfouten?’ Frank Jansen & Daniël Jansen in ‘Tijdschrift voor Taalbeheersing’, Vol. 38 , no. 1, 2016, p. 81-106, Amsterdam University Press
‘Conclusie 1: Spelfouten in zakelijke brieven hebben een negatieve invloed op de attitude ten aanzien van tekst en zender en op de overtuigingskracht.’
‘Conclusie 2: Spelfouten in sollicitatiebrieven leiden niet tot een slechtere lezersbeoordeling dan spelfouten in sponsorbrieven.’
‘Conclusie 3:De beoordeling van de effectiviteit van sollicitatiebrieven verloopt via de toegeschreven eigenschappen van de schrijver, die van sponsorbrieven via de toegeschreven eigenschappen van de tekst.’
‘Een forse minderheid van de respondenten (tot ongeveer 30 procent), ook van de hoogopgeleiden onder hen, ziet herhaaldelijk gemaakte spelfouten van het dt-type over het hoofd, (…)’
‘Personeelsfunctionarissen bijvoorbeeld hebben hun vak niet gekozen omdat ze zo graag willen schoolmeesteren, maar omdat ze geïnteresseerd zijn in mensen en hun groeimogelijkheden.’
² ‘Het effect van Spelfouten op tekstwaardering’, Yvonne Harm, scriptie, Universiteit Utrecht, Faculteit der Letteren, Taal- en Cultuurstudies, Communicatiekunde, 2008.
Conclusie 1: ‘ (…) taalfouten (hebben) wel degelijk een negatief effect op de waardering van de geloofwaardigheid van de tekst.’

Conclusie 2: ‘(…) dat het negatieve effect van taalfouten op de geloofwaardigheid van de tekst zich ook verspreidt naar de schrijver van de tekst en de bronnen die in de tekst aangehaald worden.’

zondag 17 mei 2020

Over Harvey Weinstein en bepotelen




“An ideal translation should, I believe, reproduce the effect of the original, but I have found that the best any translator can even hope for is to reproduce the effect that the originals have had on him.” Harold G. Henderson

In mijn beginjaren als vertaler deed ik voornamelijk stripverhalen. Ooit moest ik een dialoog vertalen uit het Frans waarin een dienster in een bruine kroeg haar beklag deed ‘…qu’elle devait se laisser tripoter les fesses…’ Mijn vertaling : ‘…dat ik verplicht ben me de hele avond de kont te laten bepotelen’ kon niet op de goedkeuring van de (Nederlandse) revisor rekenen, die bepotelen verving door betasten.

Nederland en Vlaanderen
Allicht is dat bepotelen in Nederland niet erg gebruikelijk, ook al staat het in Van Dale. In de hedendaagse, online versie staat er ‘1. informeel betasten, bevingeren’. In mijn oude, papieren Van Dale die ik toen nog gebruikte, stond er nog de vermelding  <Belg.> bij. Ik vermoed dat het die laatste vermelding is die toen mijn keuze voor bepotelen de das heeft omgedaan.
Maar, zeg nu eens eerlijk: in de context van een dienster in een bruine kroeg, in het negentiende-eeuwse Londen, was het woord bepotelen niet een veel geslaagdere term voor hoe het er aan toe zal gegaan zijn? Bij dit woord haalt een mens zich zó een beeld voor de geest van halfdronken mannen, die met hun vuile poten het dienstertje en haar bevallige derrière belagen – alhoewel, bevallig is in de context van betreffende strip ook weer niet zo’n accurate term, maar ik wijk af.

Harvey
Betasten, dat is iets wat je doet met het fruit dat je koopt in de supermarkt, om te zien of er geen rotte plekken zijn. Betasten is wat een blinde doet met een voorwerp dat hij niet meteen herkent. Wat de Harvey Weinsteins van deze wereld doen met de jonge vrouwen die in hun netten verstrikt raken, dat heet niet betasten, dat is onversneden bepotelen, noch min, noch meer. Ik kan me ook zo voorstellen dat een Nederlandse dame die zich door zo’n Weinstein belaagd voelt, hem toeroept dat hij “met zijn gore poten van haar lijf moet blijven” en niet dat hij moet “ophouden haar te betasten”. Dus, al die jaren later ben ik nog altijd geneigd tegen de persoon die indertijd de revisie van mijn vertaling deed te zeggen: “Meneer (of mevrouw), u slaat de bal mis!”

Het is allicht iets waar ook iedere schrijver in Vlaanderen mee geconfronteerd wordt : als je schrijft voor het Nederlandse taalgebied, dan schrijf je voor een gebied met pakweg 17 miljoen Nederlanders en 6,5 miljoen Vlamingen.  En ik kan begrip opbrengen voor het standpunt dat je dan rekening moet houden met het idioom en het taalgevoel van de meerderheid. Maar toch… Het Nederlands is de taal van Nederlanders én Vlamingen, en af en toe zit er in het idioom van één van beide toch wel eens een pareltje dat de andere groep met graagte kan overnemen, omdat het zoveel beter een bepaalde betekenis weergeeft. Dat bepotelen vind ik daar een prefect voorbeeld van.

Woordenboekmensen
Nu lijkt dat besef ook al een tijdje doorgedrongen te zijn tot de taalkundigen in Noord en Zuid. Volgens de taaltelefoon verliest de strikt Noord-Nederlandse norm de laatste jaren terrein, en is een woord dat algemeen als standaardtaal in Vlaanderen gebruikt wordt, voortaan ook gewoon Nederlands. Vandaar waarschijnlijk dat in de hedendaagse Van Dale online naast het woord bepotelen niet langer de vermelding <Belg.> staat. We lijken dus op de goede weg, namelijk die van een beter begrip en meer respect voor elkaars taaleigen.

Alhoewel… Net voor ik deze bijdrage post, kom ik tot de constatatie dat in het woordenboek Frans-Nederlands van Van Dale online bij het lemma “tripoter” dan toch weer de toevoeging (Belgisch-Nederlands) staat voor de betekenis bepotelen. Hoe zit dat nou? Als het de vertaling is van tripoter, dan is bepotelen Belgisch-Nederlands, maar als je het in een originele Nederlandse tekst gebruikt, dan is het gewoon informeel Algemeen Nederlands? 
Niet echt consequent, die woordenboekmensen.


Van Dale online : 1 informeel betasten, bevingeren
www.woorden.org : bepotelen (…) (iemand) ongevraagd erotisch aanraken