maandag 28 september 2020

Tarantinoesque of cruijffiaans?

 

"Sure, Kill Bill is a violent movie. But it's a Tarantino movie. You don't go to see Metallica and ask the fuckers to turn the music down." - Quentin Tarantino

 

Onlangs stootte ik eerder toevallig op volgend wist-je-datje: sedert 2018 is het woord Tarantinoesque opgenomen in de Oxford English Dictionary. De term verwijst uiteraard naar de filmmaker Quentin Tarantino en betekent zoveel als ‘gelijkend op de films van Quentin Tarantino, die gekend zijn voor hun expliciete en gestileerde gewelddadigheid, non-lineaire verhaallijn, cinematografische verwijzingen en scherpe dialogen ’ (vrij vertaald uit de omschrijving in het woordenboek).

Tot nader order heeft het woord nog niet onze Van Dale gehaald, maar je moet het meneer Tarantino wel nageven: er zijn niet veel mensen die een eigen woord krijgen in wat voor woordenboek dan ook. Hij speelt het zelfs nog bij leven klaar. Als liefhebber van zijn films, kan ik dit alleen maar toejuichen. Naast het feit dat dit aangeeft hoezeer zijn films gekenmerkt worden door een eigen stijl, en hoezeer ze de hele filmwereld beïnvloed hebben en nog altijd beïnvloeden, kun je het gewoon ook zien als een passend eerbetoon aan een groot filmmaker.

Fancy

Nu is zo’n woord dat afgeleid is van de naam van een persoon ook in het Nederlands niet uitzonderlijk. Met een fancy woord heet zoiets een eponiem, en u gebruikt ze om de haverklap in het dagelijkse leven, allicht zonder te beseffen dat ze verwijzen naar een persoon.

Er zijn natuurlijk de meest voor de hand liggende, namelijk de termen die we gebruiken voor allerlei wetenschappelijke eenheden, zoals joule, watt, newton, hertz, Kelvin, Celsius, Fahrenheit (*), farad, coulomb, volt, ampère, ohm, tesla, decibel, pascal. Het zal niemand verbazen dat dit eponiemen zijn, maar dit zijn nu niet bepaald woorden die de doorsneemens vaak bezigt.

Kafka natuurlijk

Een andere bekende naam in dit verband is die van Franz Kafka, de Tsjechische schrijver (1883-1924) die aan de oorsprong ligt van een hele reeks woorden in het Nederlands. Van Dale neemt volgende woorden op: Kafka, kafka, kafkabrigade, kafkaësk, kafkaiaans, kafkatest, kafkatoets. Dat zijn flink wat woorden, en als meneer Kafka nog leefde, dan mocht hij hier best wel trots op zijn. Anderzijds is het voor gelijk welke organisatie geen compliment als ze je omschrijven als kafkaësk of kafkaiaans. Van Dale omschrijft dit namelijk als volgt: “op raadselachtige wijze beangstigend, bedreigend (vooral door een overgeperfectioneerde samenleving die zich aan de controle van het individu onttrekt)”. Niet echt opbeurend!

Kafka is zo sterk dat de term ook in andere talen gemeengoed werd: het Frans (kafkaïen), het Engels (Kafkaesque) en het Duits (kafkaesk) hebben allemaal een lemma in hun toonaangevende woordenboeken, en daar stopt het niet. Ik bespaar je een opsomming van gelijkaardige termen, maar kan bevestigen dat ook o.a. het Deens, Italiaans, Noors, Pools, Russisch, Spaans, Zweeds een of meer eponiemen hebben die naar de Tsjech verwijzen.

Maar Kafka is dus een voor de hand liggend voorbeeld, net als de woorden sadisme, masochisme en saxofoon. Ik vertel niets nieuws als ik hieraan toevoeg dat de termen afgeleid zijn van de heren Adolph Sax, Leopold von Sacher-Masoch en Markies De Sade – in omgekeerde volgorde uiteraard. Ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan met de gekende voorbeelden als diesel, colbert, sandwich, zeppelin enz.

Een kiekje van een cruijffiaanse beurs

Maar je hebt er ook wel een paar verrassende. Wist je bijvoorbeeld dat het woord ‘beurs’ in de betekenis van ‘handelsplaats’ afgeleid is van de naam van de adellijke familie Van der Beurse. Die familie zou in de vijftiende eeuw in Brugge een herberg gehad hebben nabij de Brugse markt, en zo aan de oorsprong hebben gestaan van de term ‘beurs’ voor ‘handelsplaats’, niet alleen in het Nederlands, maar ook in andere Europese talen.

Een andere onverwachte term in de lijst is ‘kiekje’. Deze andere benaming voor ‘fotootje’ zou afgeleid zijn van de Leidse fotograaf Israël Kiek (1811-1899). De man had vanaf 1858 in Leiden een fotozaak, en stond gekend om zijn foto’s van Leidse studentengroepen. Zo’n groep dronken studenten fotograferen bij nacht en ontij was geen sinecure, en dus waren de foto’s niet altijd even scherp en gaven ze de indruk inderhaast gemaakt te zijn: een kiekje.

Dat laatste voorbeeld is wel speciaal, omdat het in de lijst een van de weinige woorden is die enkel in het Nederlands voorkomen. Eponiemen hebben immers de neiging om in verschillende talen overgenomen te worden. Het zijn dus vaak ook leenwoorden – behalve het eerder vermelde beurs, is de term heel vaak ontstaan in een andere taal.

Een hele interessante term, ook specifiek voor het Nederlands die ik jullie niet wil onthouden is ‘cruijffiaans’, officieel opgenomen in Van Dale sedert april 2018. Van Dale geeft volgende omschrijving: “zoals van, eigen aan de Nederlandse voetballer en trainer Johan Cruijff (1947-2016) – cruijffiaans taalgebruik: raadselachtige, diepzinnig aandoende uitspraken die niet altijd de regels van de logica lijken te volgen”. Toen ik dit las, schoot me meteen volgende uitspraak te binnen: “Ieder nadeel heb ze voordeel”(sic). Maar ik vond nog een paar pareltjes van cruijffiaanse uitspraken, waar ik graag nog een kenmerk aan toevoeg, namelijk dat ze taalkundig ook niet altijd vlekkeloos zijn:

“Voordat ik een fout maak, maak ik die fout niet.”

“Als je ergens niet bent, ben je of te vroeg, of te laat.”

“Als wij de bal hebben, kunnen hun niet scoren.”

“Mensen moeten harder gaan rijden. Dan zijn ze sneller van de weg, dus zijn er minder files.”

 

 

 

* Waarom zijn Kelvin, Celsius en Fahrenheit met hoofdletter, en de andere woorden niet? Wel, die drie zijn strikt gezien geen wetenschappelijke eenheden, maar toevoegingen aan de eenheid ‘graad’ die we gebruiken om de temperatuur weer te geven. De toevoeging Kelvin, Celsius of Fahrenheit moet aangeven volgens welke gradenschaal we werken, maar de eenheid hier is graad. Alle andere woorden in het lijstje zijn eenheden, rechtstreeks afgeleid van de naam van een wetenschapper, vaak diegene die ze definieerde.

·         joule: eenheid van energie, eenheid van elektrische arbeid, eenheid van energiewaarde van levensmiddelen (i.p.v. calorie)

·         watt: vermogen

·         newton: kracht

·         hertz: eenheid waarin het aantal trillingen per seconde wordt uitgedrukt, m.n. van radio- of geluidsgolven

·         farad: elektrische capaciteit (lading van 1 coulomb per volt)

·         coulomb: hoeveelheid elektrische lading die verplaatst wordt bij een stroomsterkte van 1 ampère

·         volt: elektrische spanning

·         ampère: elektrische stroomsterkte

·         ohm: elektrische weerstand

·         tesla: magnetische inductie

·         decibel: bij geluid – de verhouding tussen omvang (hardheid) en hoogte (intensiteit); i.v.m. glasvezels – het vermogen om licht te bewaren

·         pascal: druk – 1 pascal is 1 newton per m²

vrijdag 11 september 2020

Een jarenlange liefde: het Franse chanson.


Je vous parle d’un temps

Que les moins de vingt ans

Ne peuvent pas connaître 

            Charles Aznavour, ʺLa Bohèmeʺ

 

Als vertaler Frans is het haast vanzelfsprekend dat ik een groot liefhebber ben van het Franse chanson. Ik ben ook geboren in de vroege jaren zestig, en heb dus de periode meegemaakt waarin dat Franse chanson ook in Vlaanderen op heel wat bijval kon rekenen. Het is nu wel anders, en daar verliezen we toch wel wat mee, want ook nu nog komt er in de Franstalige wereld wel af en toe een nieuwe ster op.

Ik had dan ook aan mijn vrienden BNI-leden gevraagd om eens hun top 3 van het Franse chanson op te maken. Ik gaf meteen mijn persoonlijke top 3 op:

“La Bohème” – Charles Aznavour

“Ne me quitte pas” – Jacques Brel

ʺLe Sudʺ - Nino Ferrer

Nu is hier wel een klein probleempje mee: mijn top drie bestaat immers voornamelijk uit oude nummers: “La Bohème” is van 1965, “Ne me quitte pas” is van 1959 en “Le Sud” is het jongste lied in dit gezelschap. Het nummer werd in 1975 uitgebracht. Zijn er dan geen jonge Franse artiesten die het vermelden waard zijn? Jazeker, alleen is het wat moeilijker om ze te leren kennen als Vlaming, omdat er bijlange na niet meer zoveel aandacht is voor het Franstalige lied op onze Vlaamse radiozenders als in de jaren zestig en zeventig.

Even tussen haakjes, een verrassend weetje: Nino Ferrer, de man van “Le Sud”, is dezelfde artiest die het humoristische nummer “Le Téléfon” uitbracht – u weet wel het nummer van : “Gaston y a l’téléfon qui son”. Ik kan moeilijk twee nummers van dezelfde artiest bedenken die verder uit elkaar liggen dan deze twee.

Maar, revenons à nos moutons: ik ben de laatste jaren vooral fan van Zaz, de alias van de Française Isabelle Geffroy, die in Vlaanderen een bescheiden hit had met “Je veux”, intussen ook al 10 jaar geleden. Ze heeft nog zoveel andere goede nummers, waar je in Vlaanderen haast nooit iets over hoort. Prachtig van haar vind ik o.a. “Si jamais j’oublie”. Een nummer dat echt past in de traditie van het Franse chanson, zowel muzikaal als qua tekst.

En als je het over recente(re) Franstalige artiesten wilt hebben, dan moet je zeker onze eigen Stromae vermelden (“Formidable”, “Papaoutai”, “Ta fête”). Jammer dat het wat stil is geworden rond deze man, want dit was echt een verfrissend talent, waar ook in Vlaanderen heel wat aandacht voor was. Zijn echte naam: Paul Van Haver (Etterbeek, °1985).

Nog uit eigen land: Angèle. Deze jongedame (Ukkel, °1995) bracht in 2018 haar eerste album uit, en het was meteen raak, ook in Vlaanderen. Een speciale vermelding voor de nummers “Balance ton quoi” en “Je veux tes yeux”. Van haar verwacht ik de komende jaren nog heel veel moois.

Een andere jonge artieste waar ik graag aandacht voor wil vragen, is de Canadese Cœur de Pirate, in het gewone leven Béatrice Martin. Ook zij had in Vlaanderen een bescheiden hit met het in 2011 uitgebrachte “Adieu”, maar deze jongedame (°1989) is echt een uitzonderlijk talent, die ook al de muziek mocht maken voor de TV-reeks “Trauma”. Wie op Spotify zit, moet maar eens de afspeellijst “This is Cœur de Pirate” afspelen; daar zitten enkele pareltjes in, en haar Canadese accent is soms aandoenlijk.

Wie dit leest en graag aandacht wil voor een bepaalde jonge Franstalige artiest, aarzel niet om het te delen op de facebookpagina van Charon:

(https://www.facebook.com/CharonTranslationConsultancy).

Er is zoveel dat je kunt schrijven over het Franse chanson, en er zijn zoveel artiesten die een vermelding verdienen. Dat is het nadeel van een top 3: kiezen is verliezen. Achteraf vind je het altijd jammer dat je deze of gene artiest niet hebt opgenomen. Als je enkel Aznavour of Brel neemt: die hebben nog zoveel mooie nummers uitgebracht, die in die top 3 van mij niet misstaan zouden hebben. Maar ik wil vooral graag een eervolle vermelding geven aan enkele misschien minder bekende nummers of artiesten.

Op één zet ik dan Bourvil met “Un clair de lune à Maubeuge”. Nu is Bourvil zelfs voor de jongere generatie niet helemaal onbekend, maar dan als acteur. Hij is namelijk de tegenspeler van Louis de Funès in “La Grande Vadrouille”, nog altijd een van de meest succesvolle films in de Franse filmgeschiedenis. Maar Bourvil was ook chansonnier, en ik wil de lezer graag oproepen om eens kennis te maken met “Un clair de lune à Maubeuge”, vooral tekstueel een pareltje.

Een tweede nummer dat ik hier wil vermelden, eveneens met een humoristische tekst, is “Il” van Les Négresses Vertes. Het nummer brengt het trieste verhaal van een verlopen figuur die “drinkt om te vergeten dat hij leeft, en slaapt om te vergeten dat hij drinkt”.

Il boit pour oublier qu’il vit

Il dort pour oublier qu’il boit  

En tot slot – maar kiezen is ook hier verliezen – kom ik graag uit bij Gilbert Bécaud, die we natuurlijk allemaal wel kennen van “Nathalie”, “Et maintenant”, “L’important c’est la rose”... Maar ik heb het ook heel hard voor zijn nummer “Quand il est mort le poète”. Een niemendalletje over het verscheiden van een dichter, maar o zo mooi.

 

Andere (heel) eervolle vermeldingen:

“Mourir d’aimer” – Charles Aznavour

“Et si tu n’existais pas” – Joe Dassin

ʺDernière danseʺ - Indila

ʺLe vent nous porteraʺ - Noir Désir

ʺLa chanson des vieux amantsʺ - Jacques Brel

ʺPort cotonʺ -Zaz

ʺ(Il est 5 Heures) Paris s’éveilleʺ - Jacques Dutronc of An Pierlé (beide versies vind ik mekaar waard)

ʺElle était si jolieʺ - Alain Barrière

ʺLa tribu de Danaʺ - Manau


donderdag 27 augustus 2020

Over letterwoorden en irritatie

 


“You can’t take over the world without a good acronym” – C.S. Wolley

“The key test for an acronym is to ask whether it helps or hurts communication” – Elon Musk

 

Onlangs kwam ik in een vertaalopdracht de afkorting NUR tegen, en ik ging uiteraard op zoek naar de betekenis van dit acroniem. Het hielp natuurlijk niet dat de afkorting voorkwam in een Franstalige tekst, want was het nu een acroniem voor een Franse term, of had het toch zijn oorsprong in het Engels?

“Vraag het dan aan de klant”, zult u opmerken, “dan weet je het meteen.” Dat lijkt inderdaad een goede suggestie, maar een beetje vertaler geeft niet graag toe dat hij iets niet snapt, en dus wou ik toch eerst alle middelen uitputten die ik tot mijn beschikking heb om zelf tot een oplossing te komen.

De tekst zelf ging over het financiële beheer van een bedrijf, dus dat beperkte al wel het speelveld. Het was me uit de context meteen duidelijk dat de afkorting moest staan voor iets als ‘werken in uitvoering’. Alleen, noch in het Frans, noch in het Engels vond ik een verklaring voor het acroniem NUR die ook maar van ver iets te maken had met die betekenis.

Aangezien de basistekst in het Frans was, zocht ik uiteraard eerst in het Frans, maar noch mijn Larousse, noch de Petit Robert online kenden de afkorting. Dan maar gegoogeld op ‘NUR abbréviation’, en dat leverde volgende resultaten op : Équipe Noris Cycling, Nürburgring, Équipe Nurnberger Versicherung, FC Nuremberg. Een magere oogst, dat zult u met me eens zijn, en helemaal niets dat past binnen de context van mijn artikel. Dan maar in het Engels geprobeerd.

In het Engels zijn ze kampioen in het gebruiken van letterwoorden, en zo kwam ik onder andere via acronymfinder.com en abbreviations.com tot volgende mogelijkheden: Number of Use Reports, Nursing, National University of Rwanda, National University Ranking, Nuristani (linguistics), National Union of Railwaymen (UK), Network Unavailability Rate, Net Unit Return, Natchez, Urania and Ruston Railway Company, Nix User Repository en Nitrate Utilization Rate.

De enige kandidaat in dit lijstje die iets lijkt te maken te hebben met financieel beheer is Net Unit Return, maar ik verzeker u: dat klopte voor geen meter binnen de context van het artikel. Over de andere mogelijkheden wil ik het niet eens hebben.

Uiteindelijk heb ik me toch gewonnen moeten geven, en heb ik de vraag gesteld aan de klant, die me prompt wist te antwoorden dat NUR staat voor Net Unbilled Receivables. De klant voegt er fijntjes aan toe “vroeger WIP – Work in Progress”. Dat hield natuurlijk wel steek, en ik voelde me toch een beetje in mijn eer gekrenkt dat ik hier niet zelf op gekomen was. Aan de andere kant: als ik vervolgens google op de term Net Unbilled Receivables krijg ik 1.170.000 hits, maar in de eerste drie, vier pagina’s niet één die ook het letterwoord NUR vermeldt. Mijn ego raakt hierdoor weer enigszins hersteld …

Nee, alle gekheid op een stokje: wat is dat toch met al die letterwoorden die we van langsom vaker te pas en te onpas om de oren geslagen krijgen? Zo krijg ik deze week ook in een nieuwsbrief de oproep om me in te schrijven voor een Mini Learning die me belooft “Alles wat je moet weten over VMS-systemen” bij te brengen. In het artikel dat erbij hoort, krijg je het letterwoord eerst nog een vijftal keer door de strot geduwd, vooraleer in paragraaf vier eindelijk ook de term achter het acroniem verschijnt. In dit geval gaat het over een Vendor Management System. Het lijkt er haast op alsof de auteur van het artikel bijna vergeten was om het te vermelden. Waarom deed hij dat niet bij de eerste keer dat hij het letterwoord gebruikte?

Lichtelijk geïrriteerd zocht ik het letterwoord VMS op in abbreviations.com en, ik verzin het niet, hier kreeg ik 75 mogelijke oplossingen, gaande van Vizsla Menstrual Syndrome over Voorhees Middle School, Voluntary Milking System tot, jawel ook Vendor Management System. Op abbreviations.com geven ze aan iedere term ook een kwotering met sterren, om aan te geven hoe courant de afkorting is. Vendor Management System krijgt een ster op vijf, wat betekent dat de afkorting toch niet zo algemeen gekend is.

Kijk, ik begrijp dat Vendor Management System een hele mondvol is, en dat het makkelijker is om van de term een letterwoord te maken dat je dan heel kwistig kunt rondstrooien doorheen je tekst. Maar, dames en heren tekstschrijvers, als je zo’n letterwoord gebruikt, en het staat dan nog eens voor een term in een andere taal dan die waarin je tekst geschreven is, heb dan verdomme het fatsoen om uw letterwoord meteen vanaf het begin te verklaren! En, het is maar een tip, en misschien zult u vinden dat ik nu toch overdrijf, maar zou het geen goed idee zijn om die term ook nog eens uit te leggen? U doet er uw lezers ongetwijfeld een plezier mee – en daarvoor doet u het toch?

 

vrijdag 21 augustus 2020

Over alken, woudapen en roodborstjes

 


Binnenkort zal het programma 'Blokken' op Een 26 jaar oud zijn. Een van de ‘gimmicks’ die af en toe terugkeren in het programma, is hoe Ben Crabbé zich kan verwonderen over de eigenaardige namen die we in het Nederlands soms geven aan dieren, insecten en planten. Ik deel zijn verwondering.

Als voorbeeld neem ik graag de namen van vogels die in onze contreien voorkomen. Grosso modo heb je vier soorten namen: er zijn de namen die duidelijk verwijzen naar een fysiek kenmerk, genre roodborstje, blauwborst, draaihals, haakbek, kruisbek, lepelaar, snor, witgat... Wat mij hierbij verbaast, is dat andere talen lang niet altijd kiezen voor een naam die ook steunt op datzelfde opvallende fysieke kenmerk. Wat verderop geef ik hier een voorbeeldje van.

Tjiftjaf en woudaap

Dan heb je de namen die duidelijk een weergave zijn van de kenmerkende roep van een vogel (koekoek, tjiftjaf, kauw). Eigenaardig dat een vink dan geen ‘suskewiet’ geworden is, maar gewoon een vink, en dat er niet meer soorten zijn met zo’n ‘onomatopeïsche’ naam.

Er is ook een categorie vogelnamen die als eerste of tweede betekenis verwijzen naar personen of andere dieren: het nonnetje, de kleine en grote burgemeester, de baardman, de woudaap, het bokje. Bij het nonnetje kun je nog enigszins begrijpen waar de naam vandaan komt: het is een eend met zwart-wit verenkleed – het mannetje althans – dat je met (heel) veel fantasie kunt associëren met het habijt van een non. Waar de twee burgemeestersoorten hun naam vandaan halen, is me echter een raadsel. Het gaat hier namelijk om twee meeuwensoorten met grijswit verenkleed, en zonder sjerp of enig ander kenmerk dat een mens pleegt te associëren met een burgervader.

De woudaap is hier echt wel een buitenbeentje in: het gaat hier namelijk om een reigersoort, zonder enige gelijkenis met een aap (zie de foto bovenaan dit artikel), die niet leeft in het woud, maar in rietlanden. De wetenschappelijke benaming ixobrychus minutus betekent zoveel als ‘kleine bruller’, wat me overigens ook niet zo accuraat lijkt: mijn ‘Veldgids voor vogels van Europa’* vertelt me dat hij “meestal zwijgzaam (is), maar kikkerachtige roepen in de broedtijd; vluchtroep ‘kurk’”. Brullen doet hij dus blijkbaar ook al niet, maar klein is ie wel, althans voor een reiger, met een spanwijdte van amper 56cm, tegen 195cm voor een blauwe reiger.

De vierde soort namen zijn op het eerste zich ook echte eigennamen, zonder bijkomende betekenis. Daar heb je de gekende namen bij, zoals merel, specht, lijster, vink, mus, enz… Maar er zitten ook een aantal echt raar klinkende namen in, waar een mens zich bij afvraagt hoe men er in godsnaam is op gekomen. Denk maar aan de smient, de tapuit, de eider, de dodaars.

Vertaling niet altijd logisch

Wat mij als vertaler vooral ook interesseert is, hoe al die heel specifieke namen dan wel luiden in het Engels, Frans of Duits. Ik heb dan ook onlangs een overzichtstabel samengesteld met een kleine vijhonderd namen van in Europa voorkomende vogels, in het Nederlands, Engels, Frans en Duits, en met de wetenschappelijke benaming. Wie geïnteresseerd is kan ze op eenvoudige vraag via mail bekomen. Pas op, mijn lijstje is nu ook weer niet zo uitzonderlijk: je kunt deze informatie vrij vinden op www.avibase.bsc-eoc.org. Op deze site krijg je de namen niet enkel in de vijf hierboven vernoemde talen, maar verder ook nog in vijftien andere talen, waaronder zelfs het Russisch, Japans en Chinees!

Bij het naspeuren van al die vogelnamen kwam ik vaak voor verrassingen te staan, niet enkel wat betreft de Nederlandse benaming, maar ook hoe de naam soms in het Engels, Frans of Duits totaal geen raakpunten heeft met de Nederlandse naam. Allicht geen zaak van wereldbelang, maar gewoon een van die eigenaardigheden die je in taal en vertalingen af en toe meemaakt. Ik geef graag enkele voorbeeldjes.

Een ganzensoort die we in het Nederlands de kleine rietgans noemen (anser brachyrhynchus) is in het Engels een ‘pink-footed goose’, maar in het Frans dan weer een ‘oie à bec court’. Eigenaardig, hoe in het Nederlands de belangrijkste eigenschap van het diertje is dat het in het riet leeft, terwijl de Engelsen dan weer vallen voor zijn roze pootjes en de Fransen van hun kant vooral letten op de korte bek, daarbij overigens bijgestaan door de Duitsers (Kurzschnabelgans). Overigens leunen Fransen en Duitsers met hun naam het dichtst bij de betekenis van de wetenschappelijke benaming, aangezien ‘anser brachyrhynchus’ letterlijk betekent ‘kortbekgans’.

De kolgans (anser albifrons) is in het Engels de ‘white-fronted goose’, waarbij het dit keer dus de Engelsen zijn die kiezen voor een letterlijke vertaling van de wetenschappelijke benaming ('albifrons' betekent letterlijk 'wit voorhoofd'). Voor de Duitsers is het dan weer een bleke gans (Blässgans). Niet echt een letterlijke vertaling van ‘albifrons’, maar close enough. De Fransen noemen dit dier de ‘oie rieuse’, ofwel de lachgans. Nu vraag je je waarschijnlijk af, waar de Nederlandse benaming zit in dit verhaal. Wat nazoekwerk leert ons dat het Nederlands eigenlijk ook voor een vertaling van de wetenschappelijke benaming gaat: Van Dale vertelt namelijk dat de eerste betekenis van het woord ‘kol’ is "witte plek op het voorhoofd van een donkerharig paard of een koe, even boven de ogen, kleiner dan een bles (ook wel bij vogels)". Zo leer je nog wat over je eigen taal, dankzij de naam van een gans…

Pinguïns en armlozen

Nog eentje om het af te leren: wat ze in het Nederlands een pinguïn noemen, in het Duits een 'Pinguin', en in het Engels een 'penguin', heet in het Frans 'un manchot'. Dat Franse woord is ook een wat oneerbiedige term om iemand aan te duiden die een of beide armen verloren heeft, een duidelijke verwijzing naar het uiterlijk van dit diertje. Ja maar, hoor ik je al zeggen, het Frans kent toch ook het woord 'pengouin', en daar heb je gelijk in, maar de vogel die ze er in het Frans mee aanduiden, is een totaal ander beestje. Het gaat dan namelijk over wat wij de alk noemen (in het Engels: 'auk', Duits: 'Alk'), dat is de familie vogels waartoe onder andere ook de papagaaiduiker en de zeekoet horen. Hoe dat zo gekomen is? Wie het weet, mag het me gerust komen vertellen, maar ik heb er niet meteen een verklaring voor gevonden.

  een familie keizerspinguïns, in het Frans dus de 'manchot empereur'

een alk, ofwel 'petit pengouin' in het Frans.

* 'Veldgids voor vogels van Europa', Veltman Uitgevers, Utrecht.

donderdag 13 augustus 2020

Manillen met een broodje aap

 

 

Ik hou wel van een spelletje kaart, en aangezien ik West-Vlaming ben, is dat over het algemeen manillen. Manillen is in West-Vlaanderen een belangrijk onderdeel van de volkscultuur en als dusdanig een bron van menige verhitte discussie en af en toe wel eens van een sterk verhaal. Maar daarover heb ik het verder nog. Eerst wou ik wel eens weten waar het spel vandaan komt, en ging dus op zoek op het onvolprezen wereldwijde web.

Spaanse oorsprong

Daar kwam ik te weten dat het spel zijn oorsprong kent in het 17de-eeuwse Spanje, waar het ‘malilla’ heette, en dat het zo via Frankrijk onze contreien bereikte. In Frankrijk was het vooral populair vanaf de tweede helft van de 19de eeuw, tot rond 1940, toen belote stilaan de overhand nam. Geen idee of de 2de Wereldoorlog daar voor iets tussen zat… In België is het spel vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw vooral in West-Vlaanderen heel populair, met een manillersclub in vrijwel ieder zichzelf respecterend café en kaartavonden in elke ouderenclub.

Manillen wordt verder ook nog altijd gespeeld in Catalonië, waar ze het spelen met 48 ‘Spaanse’ kaarten, en in Mexico, met 40 ‘Spaanse’ of ‘Franse’ kaarten. De Franse en Belgische varianten zijn vrijwel identiek, behalve wat de puntentelling betreft, en de kans om ‘mee te gaan’, die in de Franse versie niet bestaat.

In het Frans maakt manillen zelfs deel uit van de literaire canon, met een volledig hoofdstuk rond een partijtje manillen in een van de bekendste werken uit de Franse literatuur, namelijk ‘Marius’ (1929) van Marcel Pagnol. Aangezien manillen in België vooral een West-Vlaams fenomeen is, lijkt het me weinig waarschijnlijk dat je er veel verwijzingen naar zult vinden in de Nederlandstalige (Vlaamse) literatuur. Ik vond er in ieder geval niet zo snel een.

Spelregels – in een notendop

Er doet wel een opmerkelijk verhaal de ronde, dat ik ben gaan bestempelen als ‘urban legend’, of zo u wilt een broodjeaapverhaal. Voor wie niet vertrouwd is met manillen, toch even een korte uitleg over hoe het spel met vier, zoals het doorgaans op café gespeeld wordt, verloopt. Je speelt met 32 kaarten, en in 2 teams van 2 – iedere speler krijgt dus acht kaarten. De deler deelt (meestal 4-4 of 3-3-2), waarna hij kan beslissen om troef te maken, of om zonder troef te spelen. De speler links van de deler komt uit, vervolgens die links van hem, enzovoort. Belangrijke regels zijn:

·         de 10 is de hoogste kaart, gevolgd door aas, heer, dame, boer. Dit zijn ook de kaarten die punten opleveren, namelijk respectievelijk 5, 4, 3, 2 ,1. De 9, 8 en 7 hebben geen waarde;

·         je moet altijd volgen (kleur bekennen), tenzij je geen kaart hebt van die kleur*;

·         als je dat kunt, moet je altijd hoger gaan dan de kaart van de tegenspelers (je hoeft niet hoger te gaan dan je teamgenoot);

·         als je niet kunt volgen, dan ben je verplicht troef te spelen om zo de slag binnen te halen (maar je hoeft geen troef te leggen als je teamgenoot al de bovenhand heeft);

·         een troefkaart, ongeacht haar waarde, is altijd sterker dan een kaart van een van de andere kleuren. Het zal u dus niet ontgaan dat de beslissing over wat er troef is belangrijk is voor de kansen op winst;

·         zoals gezegd: je kunt ook beslissen om zonder troef te gaan, dan tellen de punten dubbel. Dat doe je meestal wanneer je heel sterk staat in alle vier de kleuren;

·         nadat er troef is gemaakt, kan de tegenpartij beslissen om ‘mee te gaan’, wat alweer betekent dat de punten dubbel tellen. Hierop kan de partij die troef gemaakt heeft op haar beurt nog eens ‘meegaan’, waardoor de punten nog eens verdubbeld worden. Iemand kan dus beslissen om zonder troef te gaan (dubbele punten), waarna meegegaan wordt, en opnieuw meegegaan wordt. Op die manier speel je dan plots voor 8 x de punten (2 x 2 x 2 = 8). Zo kan de score snel aardig aantikken, al gebeurt het niet vaak, zo’n achtvoudig gambiet.

Broodje aap

Terug naar ons broodje aap: het verhaal doet al jaren de ronde van een partijtje waarbij iemand na het delen tot de constatatie komt, dat hij alle harten heeft. Bovendien heeft hij het geluk dat hij de deler was, en hij dus troef mag bepalen. Daarop roept de man enthousiast dat hij zonder troef gaat. Zo’n fantastische kaart, daarmee wil hij natuurlijk graag dubbel scoren. Iedere doorwinterde manillenkaarter snapt meteen waarom dit een hilarische blunder is, maar voor wie niet vertrouwd is met het spel leg ik het graag even uit: aangezien er nu geen troef is, en de man enkel harten heeft, heeft hij niet de minste kans om ook maar één slag binnen te halen. Het is immers de kaarter links van hem die eerst uitkomt, en dat zal dus zeker geen harten zijn, aangezien onze slimme hoofdfiguur alle harten in zijn hand heeft… Wat hij had moeten doen, was harten troef maken, waarmee hij alle slagen zou gehaald hebben. Nu kan hij enkel hopen dat zijn teamgenoot nog de meubels kan redden, maar als die geen goede hand heeft, dan ziet het er niet best uit.

Waarom noem ik dit een ‘urban legend’? Wel, ten eerste is het al een ongelooflijk toeval dat iemand op zijn beurt troef maken met alle kaarten van een kleur zou gezegend zijn. Maar toegegeven, het is niet onmogelijk, en het valt ongetwijfeld wel eens voor. Dat zoiets nou net gebeurt met de minst intelligente speler aan tafel, is dan een zaak van nog eens 1 kans op 4. Maar dat die persoon dan nog zo stom zou zijn om te beslissen om zonder troef te gaan, dat maakt de kans dat dit verhaal op waarheid berust wel heel klein.

Maar het broodjeaapgehalte van dit verhaal gaat nog verder: ik heb het al door verschillende mensen horen vertellen, telkens met de stellige verzekering dat de verteller dit zelf heeft gezien, en ieder keer gaat het om een volle hand harten. Geen ruiten, klaveren of schoppen, maar harten. Bovendien heb ik het nooit anders horen vertellen dan met als uitkomst dat de tegenpartij alle slagen haalde; dus dat de teamgenoot van onze onfortuinlijke hoofdpersoon er ook niet in slaagde om ook maar één slag thuis te halen. Dat betekent dus ofwel dat die verschillende vertellers allemaal aanwezig waren bij hetzelfde partijtje kaart – het moet daar een drukke bedoening geweest zijn, in die donkere kroeg. Of we hebben hier te maken met nog een ongelooflijk toeval erbovenop, namelijk dat het weliswaar niet om dezelfde partij gaat, maar dat het wel telkens gebeurd is met een volle hand harten, en met een teamgenoot die een ongelooflijke slechte hand toebedeeld kreeg. Ik hoop dat u mijn scepsis begrijpt.

De waarheid overtreft de fictie

En toch… De werkelijkheid kan soms heel bizar zijn. Mijn vrouw en ik spelen namelijk ook graag een partijtje manillen-met-twee. In deze variant speel je dus enkel met z’n tweeën, wat het voordeel heeft dat je geen rekening moet houden met een teamgenoot. Hierbij krijgt elke speler dus zestien kaarten, acht in de hand en acht op tafel. De acht kaarten op tafel liggen twee per twee, waarbij telkens een kaart gedekt wordt door de andere, die ongedekt ligt en dus zichtbaar voor beide spelers. De gedekte kaart kan pas omgekeerd worden nadat de erop liggende kaart gespeeld werd. Voor de rest gelden alle regels van manillen met vier.

Op een keer heeft mijn vrouw zichzelf net een hand gedeeld waar ze geen raad mee weet voor het bepalen van troef. Er is geen enkele kleur waarin ze sterk staat en, vooral, er is een kleur waarvan ze geen enkele kaart heeft, noch bij de acht in haar hand, noch bij de vier ongedekte kaarten op tafel. Mijn vrouw, die wel eens vaker totaal irrationele beslissingen neemt - maar gelukkig enkel tijdens gezelschapsspelen –, besluit dan maar om net die kleur troef te maken. Nu hoor ik u al zeggen, komaan, niemand is zo gek dat hij troef maakt van die ene kleur waarvan hij of zij geen enkele kaart heeft. Nou, mijn vrouw dus blijkbaar wel.

Maar wacht, het wordt nog gekker. We beginnen te spelen, en geloof mij of niet: naarmate het spel vordert blijkt dat de vier gedekte kaarten aan de zijde van mijn vrouw achtereenvolgens de 10, aas, koning en vrouw van troef zijn! Ik herinner me niet meer wat de uiteindelijke uitkomst van dit partijtje was, maar ik weet toch wel zeker dat mijn vrouw hier een ongelooflijk stukje mazzel heeft gehad. Ik weet wat u denkt: hier heeft iemand vals gespeeld, en dat was ook mijn eerste reactie, maar mijn vrouw blijft tot op de dag van vandaag beweren dat ze niet vals gespeeld heeft. Na 35 jaar huwelijk heb ik geleerd haar te geloven als ze iets met stellige zekerheid volhoudt.

Dus vraag ik u : what are the odds? Het is al een serieus toeval dat de vier hoogste kaarten van een kleur gedekt liggen bij dezelfde speler. Het is een bijkomend toeval dat bij diezelfde hand de speler verder geen kleur heeft waarin hij sterk staat. Maar vooral: die ene keer dat die speler besluit om dwaasweg troef te bepalen als zijnde die ene kleur waar ze geen enkele kaart van heeft, blijken net de vier hoogste kaarten van die kleur gedekt te liggen aan haar zijde van de tafel! Het moet niet nog gekker worden – correctie: het kàn niet nog gekker worden.

O ja: u raadt nooit om welke kleur kaarten het ging… Jawel, harten!


* alhoewel je bij het kaarten enkel rode of zwarte kaarten hebt, zijn er toch vier kleuren : harten, ruiten, schoppen en klaveren.

donderdag 23 juli 2020

Over juridische taal.


Het motto van de jurist:
"Voor zover manifestaties van functionele tekortkomingen door alle betrokken partijen als onwaarschijnlijk worden beschouwd, en dit zo is bepaald, is het aan de eerder genoemde partijen om uitstel van anderzijds relevante onderhoudsprocedures uit te oefenen.
Met andere woorden, als het niet kapot is, repareer het dan niet. "- Anoniem
Vertaald uit “35 funny and inspirational lawyer quotes” op www.holidappy.com

Ik heb de stellige indruk dat veel van mijn collega-vertalers hun neus ophalen voor twee specifieke soorten vertalingen. De eerste is de technische vertaling, en de tweede is de juridische vertaling. In beide gevallen kan ik de aversie best wel begrijpen. Een technische vertaling is nooit evident, omdat de vertaler ook wel wat inzicht moet hebben in het onderwerp, en we hebben nu eenmaal gestudeerd voor vertaler, niet voor ingenieur. Mijn professionele ervaring geeft me hierbij wel een zeker voordeel, maar daarover later misschien eens wat meer.

136 woorden in één zin
Bij de juridische vertaling – in wezen eigenlijk ook een ‘technische’ vertaling - liggen de zaken enigszins anders. Je hebt hier niet alleen het specifieke jargon, maar krijgt ook nog eens af te rekenen met een vaak totaal van de pot gerukte zinsbouw. Zo’n juridische tekst is daardoor vaak voor de leek totaal onleesbaar, en de inhoud gaat verloren in de vele bijzinnen, zijsprongen, opsommingen van belanghebbenden en weet ik veel wat meer. Een heel mooi voorbeeld geef ik graag hieronder, uit een contract dat ik onlangs diende te vertalen uit het Engels.  

Voor zover de serviceprovider en/of zijn directeuren, medewerkers, agenten, consultants, onderaannemers of gelieerde ondernemingen toegang hebben tot deze informatie en gegevens, verklaart en garandeert de serviceprovider dat hij en zijn consultants, onderaannemers en gelieerde ondernemingen gedurende de looptijd van dit contract toereikende administratieve, technische en fysieke beveiligingen heeft en zal aanhouden om de veiligheid en vertrouwelijkheid te waarborgen van informatie van de Eigenaar en XXXX (inclusief persoonsgegevens zoals hieronder gedefinieerd en de vertrouwelijke informatie van de Eigenaar en XXXX) en andere gegevens en informatie met betrekking tot XXXX, de Eigenaar en / of klanten van de Eigenaar, om zichzelf te beschermen tegen bedreigingen of te voorziene gevaren voor de integriteit van dergelijke informatie en gegevens (inclusief onbedoelde vernietiging), en zich te beschermen tegen ongeoorloofde toegang of gebruik van dergelijke informatie en gegevens.

U leest het goed (als u hiertoe de moed kon opbrengen): dit is één enkele zin, uitgesmeerd over iets meer dan twaalf regels, en ze bevat zomaar eventjes 134 woorden – in de lagere school is dat de lengte van een opstel. Het contract waar ik het over heb, bevatte tal van dergelijke zinnen, en was 45 bladzijden lang. Een echte vertaaluitdaging, want je moet oppassen dat je de betekenis behoudt, en dat je zin aan het einde van regel twaalf-en-nog-wat nog op haar pootjes staat. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van zo’n uitdaging, en heb de vertaling met veel plezier gedaan.

Begrijpelijk
Even terzijde: ik onderwierp mijn Nederlandse zin aan de schrijfassistent van De Standaard (www.schrijfassistent.standaard.be), en die zag er nauwelijks graten in. Er waren enkel opmerkingen over het gebruik van ‘waarborgen’ en ‘met betrekking tot’. ‘Waarborgen’ werd aangemerkt als Belgisch, en te formeel, maar in Van Dale Online zien ze dat niet zo. ‘Met betrekking tot’ is te formeel, maar goed: een contract is natuurlijk wel een formele tekst en – ik pleit schuldig - het is een van die uitdrukkingen die ik moeilijk uit mijn schrijfstijl krijg. Taalkundig is er met de zin dus niets mis - nou ja -, maar petje af voor wie ze bij de eerste lezing al had begrepen.
Het probleem met zo’n juridische tekst is dat er een behoorlijk risico schuilt in het leesbaarder maken van je vertaling. Waar je anders al vlug geneigd bent om zo’n zin in je vertaling op te splitsen in twee, drie of zelfs meer zinnen, moet je met zo’n juridische tekst toch wel een beetje (heel erg) oppassen. Vaak heeft ieder woord, iedere komma een specifiek belang, en kan het weglaten van het een of het ander zware juridische gevolgen hebben.
Vandaar dat mijn vertaling dus net als het origineel één enkele zin is. Al heeft het Engelse origineel (zie hieronder) wel het voordeel dat ze een ietsje korter is, 125 woorden en tien en een halve regel, maar dat heb je met het Engels: in negen van de tien gevallen is de Engelse versie van een tekst korter dan de Nederlandse. Eens je aan 125 woorden zit, maakt het ook niet zo veel meer uit, nog een tiental woorden erbij. Waar het op neer komt, is dat de originele zin al een draak is, een gedrocht waar een hond zijn jongen niet in terugvindt. Je vraagt je dan af of het eigenlijk wel de bedoeling is dat de zin begrijpelijk is voor de leek…

Taaltips voor juristen
Op taaluniversum.org vond ik de weerslag van een colloquium over ‘Begrijpelijke rechtstaal’ dat de KU Leuven in 2016 inrichtte, in samenwerking met o.a. de Taalunie.  Ik raad het iedereen aan die wel eens een juridische tekst moet schrijven, of het nu gaat om procedurele stukken (u weet wel: dagvaarding, verzoekschrift, conclusie, vonnis, arrest), of om een contract, algemene voorwaarden, juridisch advies (teksten die vaak niet voor juristen bestemd zijn). Je krijgt er een hoop nuttige tips om je tekst leesbaarder en begrijpelijker te maken.
En voor de vertaler? Op het colloquium was hiervoor blijkbaar geen aandacht. Maar het begint natuurlijk bij de opsteller van de originele tekst. Als vertaler van een juridische tekst moet ik zo dicht mogelijk bij het origineel blijven, en als dat origineel een draak van een zin is, dan moet ik hierin wel volgen, wil ik niet ingrijpen in de juridische waarde en betekenis van de tekst. Hoe noemen ze dat ook alweer? Dansen op het slappe koord…


Het Engelse origineel:
To the extent Supplier and/or its officers, employees, agents, consultants, subcontractors or Affiliates have access to such information and records, Supplier represents and warrants that, for the term of this Agreement, it has and will continue to have and its consultants, subcontractors and Affiliates have and will continue to have, adequate administrative, technical, and physical safeguards in place to ensure the security and confidentiality of Owner and XXXX’s information (including Personal Data as defined below and Owner and XXXX’s Confidential Information) and other records and information relating to XXXX, Owner and/or Owner’s clients, to protect against anticipated threats or hazards to the integrity of such information and records (including accidental destruction), and to protect against the unauthorized access or use of such information and records.



woensdag 1 juli 2020

Meneer de President, slaap zacht.




Ieder jaar zijn er wel een aantal landen die presidentsverkiezingen houden - wat ook niet verwonderlijk is, want de republiek is intussen de meest voorkomende staatsvorm in de wereld. Wanneer ze dat in de VS doen, zoals dit jaar in november, dan kijkt echt de hele wereld mee. Maar, waar komt het woord vandaan, wat betekent het eigenlijk en wie kwam er op het idee om het te gebruiken om het staatshoofd mee aan te duiden?

Meneer de voorzitter
Een eerste belangrijke constatering is dat ze het woord in zowat alle westerse talen gebruiken, meest in de betekenis van leider of leidster van een vergadering, bedrijf, vereniging of rechtbank, maar vooral van een land.  Maar de notie van leider/leidster is eigenlijk etymologisch niet helemaal correct. Het woord is afgeleid van het Latijn ‘praesidere’, voorzitten. In het Frans bestaat trouwens ook het werkwoord ‘présider’, dat precies dezelfde betekenis heeft. Een ‘praesidens’ is dus in oorsprong iemand die een vergadering of een raad voorzit, wat nog niet hetzelfde is als de organisatie leiden. Zie maar naar onze kamer en senaat* : die hebben allebei een voorzitter (in het Frans een Président/e) en, toegegeven, die man of vrouw heeft ook de leiding als het aankomt op het aansturen van de vergadering van die organen. Het is een functie met belangrijke verantwoordelijkheden, dat wel, maar niet te vergelijken met die van staatshoofd. Ook in bedrijven en organisaties is de voorzitter veelal iemand die een raad van bestuur voorzit, maar niet degene die belast is met de dagelijkse leiding van de organisatie.

Mister President
De president als staatshoofd, als leider van een land, is eigenlijk een redelijk recent verschijnsel. Een president staat namelijk aan het hoofd van een republiek. Dat is een staatsvorm die al ver teruggaat in de tijd. Denk maar aan o.a. de Romeinse republiek, de republieken Venetië, Genua, Firenze, Siena, Novgorod, de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (Nederland) en het kortstondige avontuur met het Engelse Gemenebest (1649-1660). Geen van deze voorbeelden had echter een President, zie het lijstje onderaan. De eerste President-staatshoofd lijkt die van de VS te zijn geweest, toen dat land in 1776 zijn onafhankelijkheid van Groot-Brittannië bevocht. George Washington was dus misschien wel de eerste ‘president’ (van 1789 tot 1797) in de geschiedenis wiens taakomschrijving wat uitgebreider was dan het voorzitten van een vergadering. Na de VS was het hek van de dam, haast overal waar nieuwe staten werden opgericht, kozen ze voor een republiek, onder leiding van een president, behalve in Europa dan.

Monsieur le Président
Frankrijk werd na zijn revolutie van 1789 wel een republiek, maar het duurde een tijdje voor ze daar met een president gingen werken. Aanvankelijk hielden ze het bij een orgaan van vijf raadsleden, het ‘Directoire’. Napoleon introduceerde in 1799 na een staatsgreep de titel van ‘eerste consul’ (en dat was natuurlijk hijzelf). Vervolgens werd Frankrijk een keizerrijk, dan weer een monarchie, en vanaf 1848 voor de tweede keer een republiek, nu voor het eerst ook met een ‘Président’ aan het hoofd van de staat. Dat was Louis-Napoléon Bonaparte, die president zou zijn van 1848 tot 1852… om zich dan in navolging van zijn beroemde oom uit te roepen tot keizer Napoleon III (laat u niet misleiden: er is nooit een Napoleon II geweest – het nummer II werd overgeslagen uit respect voor de zoon van Napoleon I, die nooit de kans kreeg om in de voetsporen van zijn pa te treden). Volgt u nog?
Het is pas vanaf de Derde Republiek (1870-1940) dat Frankrijk kan spreken van een vrijwel onafgebroken opeenvolging van presidenten. Tijdens WO II werd de Republiek even onderbroken door het Vichy-regime en later doordat het volledige land door de Duitsers werd overgenomen, maar daarna gingen ze verder met een Vierde (1946-1958) en Vijfde Republiek (1958 – heden), geleid door een Président.

Republieken in de meerderheid
Over het algemeen leken ze in Europa gedurende de negentiende eeuw nog een (on)gezonde afkeer te hebben van de republikeinse staatsvorm, en veel presidenten kwamen er dus niet bij op het oude continent: Nederland was na 1815 niet langer een republiek, maar werd een koninkrijk. Toen België onafhankelijk werd, in 1830, kozen ze – mede onder druk van de Europese grootmachten – voor een monarchie als staatsvorm, en ook de opeenvolgende nieuwe staten die in Europa ontstonden werden haast zonder uitzondering monarchieën: Italië, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, de Balkanstaten…
Intussen telt de wereld – ook Europa - meer republieken dan monarchieën, ook al wil dat dan weer niet altijd zeggen dat de president overal dezelfde bevoegdheden heeft. In de VS, Brazilië, Rusland en China is de President bijvoorbeeld politiek de hoogste leider van het land, met een grote machtsconcentratie in zijn ‘nederige’ persoontje. Maar in landen als Duitsland, Italië en Israël heeft de President meer een ceremoniële titel, en ligt het effectieve bestuur in handen van de Eerste Minister.
Presidenten zijn, jammer genoeg, ook nog bijlange na niet altijd verkozen door het volk of zijn vertegenwoordigers – en dan spreken we meestal over een dictatuur. Noord-Korea spant de kroon: hier is de titel van president zelfs een familiezaak geworden, iets wat ze van vader op zoon doorgeven – een echte dynastie dus, zoals bij monarchieën het geval is.

En België? Dat is dus een parlementaire monarchie en over wie er nu eigenlijk de leiding heeft in dit land, wel daar kunnen we nog wel een tijdje over doorgaan. Een eenduidige conclusie bereiken zal echter niet eenvoudig zijn…

* momenteel (juni 2020) wordt de Belgische Senaat voorgezeten door Sabine Laruelle (MR), en de Kamer van Volksvertegenwoordigers door Patrick Dewael(VLD). Het Vlaamse Parlement heeft als voorzitter Liesbeth Homans (N-VA), en in het Waalse Parlement is dat Jean-Claude Marcourt (PS). Flink wat presidenten dus, in België, maar het land wordt niet door hen geleid. Wel is de regeringsleider van de deelregeringen een Minister-President, maar de leider van het land is wel degelijk een Eerste Minister, en het staatshoofd, dat is nog altijd een koning.

____________________________

Staatshoofden van de ‘oude’ republieken
Romeinse Republiek (van ca. 500 v.Chr. tot 27 v.Chr): Consul
Venetië (726-1797): Doge
Genua (1136-1476): Consul
Firenze (1115-1531): Gonfaloniere (delle giustizia), ofwel Vaandeldrager (van de Gerechtigheid)
Siena (1125-1555): Consul
Novgorod (1136-1476): Aartsbisschop
De Zeven Provinciën (Nederland – 1588-1795): Stadhouder
Engelse Gemenebest (1649-1660): Lord Protector

____________________________


Wereldkaart van de Monarchieën en republieken op heden – Grijze landen : republiek, gekleurde landen zijn een of andere vorm van monarchie (Copyright Washington Post)